Betekenis van:
pair

to pair
Werkwoord
  • het verbinden
  • bring two objects, ideas, or people together
"The student was paired with a partner for collaboration on the project"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

to pair
Werkwoord
  • paren (mannelijke dieren)
  • engage in sexual intercourse

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

to pair
Werkwoord
    • form a pair or pairs
    "The two old friends paired off"

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    to pair
    Werkwoord
    • koppelen
    • bring two objects, ideas, or people together
    "The student was paired with a partner for collaboration on the project"

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    Hyponiemen

    to pair
    Werkwoord
      • arrange in pairs

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      to pair
      Werkwoord
        • occur in pairs

        Synoniemen

        Hyperoniemen

        to pair
        Werkwoord
        • paren, copuleren
        • engage in sexual intercourse

        Synoniemen

        Hyperoniemen

        Hyponiemen

        pair
        Zelfstandig naamwoord
        • groep van twee; stelletje
        • a set of two similar things considered as a unit

        Synoniemen

        Hyperoniemen

        Hyponiemen

        pair
        Zelfstandig naamwoord
        • tweeledig iets
        • two items of the same kind

        Synoniemen

        Hyperoniemen

        Hyponiemen

        pair
        Zelfstandig naamwoord
        • nulstand
        • two people considered as a unit

        Hyperoniemen

        Hyponiemen

        pair
        Zelfstandig naamwoord
          • a poker hand with 2 cards of the same value

          Hyperoniemen

          pair
          Zelfstandig naamwoord
          • distichon
          • two items of the same kind

          Synoniemen

          Hyperoniemen

          Hyponiemen