Betekenis van:
shop

shop
Zelfstandig naamwoord
  • (pand met een) bedrijf dat verkoopt; bedrijf; winkel; plaats waar handelsartikelen verkocht worden
  • a mercantile establishment for the retail sale of goods or services
"he bought it at a shop on Cape Cod"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

shop
Zelfstandig naamwoord
    • a course of instruction in a trade (as carpentry or electricity)
    "I built a birdhouse in shop"

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    shop
    Zelfstandig naamwoord
      • small workplace where handcrafts or manufacturing are done

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      Hyponiemen

      to shop
      Werkwoord
      • niet geheim houden; verklikken
      • give away information about somebody

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      Hyponiemen

      to shop
      Werkwoord
      • slecht
      • give away information about somebody

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      Hyponiemen

      to shop
      Werkwoord
      • niet voor zich houden
      • give away information about somebody

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      Hyponiemen

      to shop
      Werkwoord
      • verklappen
      • give away information about somebody

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      Hyponiemen

      to shop
      Werkwoord
        • do one's shopping
        "She goes shopping every Friday"

        Hyperoniemen

        Hyponiemen

        to shop
        Werkwoord
        • verlullen
        • give away information about somebody

        Synoniemen

        Hyperoniemen

        Hyponiemen

        to shop
        Werkwoord
          • do one's shopping at; do business with; be a customer or client of

          Synoniemen

          Hyperoniemen

          to shop
          Werkwoord
            • shop around; not necessarily buying

            Synoniemen

            Hyperoniemen

            Hyponiemen