Betekenis van:
blazen

blazen
Werkwoord
  • (een melodie) op een blaasinstrument laten horen
"een deuntje blazen"
"de aftocht blazen"

Hyperoniemen

blazen
Werkwoord
  • (van de wind) zich voordoen, blazen
"in het gezicht blazen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

blazen
Werkwoord
  • door blazen vervaardigen
"zeepbellen/glas blazen"

Hyperoniemen

blazen
Werkwoord
  • krachtiger dan gewoonlijk uitademen door de mond, met enigszins getuite lippen
"blazen en puffen"
"beter hard geblazen dan de mond gebrand"

Hyperoniemen

Hyponiemen

blazen
Werkwoord
  • een luchtstroom veroorzaken
"Blaas even, dan koelt het wel af."
blazen
Werkwoord
  • met een luchtstroom iets vervaardigen
"Dit glas wordt geblazen, niet gewalst."
blazen
Werkwoord
  • een blaasinstrument bespelen
"Hij blies een vrolijk deuntje."
blazen
Werkwoord
  • (van dieren) geluid geven door krachtig uitademen

Hyperoniemen

Hyponiemen

blaas (de ~ | meervoud blazen)
Zelfstandig naamwoord
  • met lucht of vocht gevulde holte
"blazen in gegoten voorwerpen"
"blazen in de lak"

Hyperoniemen

Hyponiemen

blaas (de ~ | meervoud blazen)
Zelfstandig naamwoord
  • urineblaas
"een volle/lege blaas"
"kou op de blaas"

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord