Betekenis van:
borg

borg (de ~ | meervoud borgen)
Zelfstandig naamwoord
  • die belooft schulden te betalen
"borg voor [iets/iemand]"
"zich borg stellen voor iets/iemand"

Synoniemen

Hyperoniemen

borg
Zelfstandig naamwoord
  • iemand die garant staat voor een eventueel te betalen bedrag
"Hij was bereid als borg op te treden."
borg (de ~ | meervoud borgen)
Zelfstandig naamwoord
  • aanzienlijk huis op het land
"De borg stamt uit de 15e eeuw en ligt binnen een ruime gracht."

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

borg (de ~ | meervoud borgen)
Zelfstandig naamwoord
  • borg; borgsom; bedrag als waarborg te betalen; overeenkomst
"borg betalen"

Synoniemen

Hyperoniemen

borg
Zelfstandig naamwoord
  • waarborg; garantie; garantie; onderpand; financiële borgstelling

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

borg (de ~ | meervoud borgen)
Zelfstandig naamwoord
  • middel ter beveiliging van onderdelen tegen losraken

Hyperoniemen

borg
Zelfstandig naamwoord
  • gecastreerd mannetjesvarken

Werkwoord