Betekenis van:
forceren

forceren
Werkwoord
  • zich dwingen
"zich forceren tot iets"

Hyperoniemen

forceren
Werkwoord
  • een beslissing afdwingen
"Het team forceerde de overwinning."
forceren
Werkwoord
  • openbreken.
"De dief had de deur geforceerd."
forceren
Werkwoord
  • te veel van zichzelf vergen
" Tijdens de sprint had hij zichzelf geforceerd met een spierletsel als resultaat."
forceren
Werkwoord
  • brekend openen; van banken/kluizen; deuren of sloten openbreken
"de achterdeur forceren"
"een slot forceren"

Synoniemen

Hyperoniemen

forceren
Werkwoord
  • als plicht opleggen
"iemand forceren tot iets"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

forceren
Werkwoord
  • voortijdig tot ontwikkeling of bloei brengen

Hyperoniemen