Betekenis van:
geschiedenis

geschiedenis (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • geschiedenisles
"wanneer hebben we geschiedenis?"

Hyperoniemen

geschiedenis (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • het geheel van de kennis en het geregeld verhaal van hetgeen in vroeger tijd is gebeurd
"in de loop van de geschiedenis"
"de geschiedenis van de hedendaagse muziek"

Synoniemen

Hyperoniemen

geschiedenis (de ~ | meervoud geschiedenissen)
Zelfstandig naamwoord
  • mondeling verslag van een reeks ware of fictieve gebeurtenissen
"de geschiedenis van [een ongelukkige liefde]"
"de geschiedenis van Roodkapje"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

geschiedenis
Zelfstandig naamwoord
  • een verhaal dat het geheel gebeurtenissen rond een bepaald persoon of entiteit beschrijft
"De geschiedenis van de zondvloed is niet alleen uit de Bijbel bekend."
geschiedenis
Zelfstandig naamwoord
  • het geheel van gebeurtenissen van het verleden
"De geschiedenis van deze stad is bijzonder lang."
geschiedenis
Zelfstandig naamwoord
  • de wetenschap die de gebeurtenissen van het verleden beschrijft
"Hij studeert al enige tijd geschiedenis."
geschiedenis (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • wetenschap die het verleden bestudeert aan de hand van geschreven bronnen
"een hoogleraar (in de) geschiedenis"
"geschiedenis studeren"

Synoniemen

Hyperoniemen