Betekenis van:
vak

vak (het ~ | meervoud vakken)
Zelfstandig naamwoord
  • begrensde ruimte
"we zitten vanavond in vak A, dus dan hebben we goed zicht op het orkest"
"alleen in de vakken parkeren"

Hyperoniemen

vak (het ~ | meervoud vakken)
Zelfstandig naamwoord
  • tak van wetenschap, kennis
"een facultatief vak"
"een moeilijk/saai vak"

Hyperoniemen

vak (het ~ | meervoud vakken)
Zelfstandig naamwoord
  • door rechte lijnen begrensd vlak
"in de kruiswoordpuzzel van vorige week zat helaas een zwart vakje te weinig"
"iets in vakjes verdelen"

Hyperoniemen

vak (het ~ | meervoud vakken)
Zelfstandig naamwoord
  • hokje in kast e.d.
"in een vakje"
"in de vakantie staat hij achter de kassa of vult hij de vakken van de supermarkt bij"

Hyperoniemen

Hyponiemen

vak (het ~ | meervoud vakken)
Zelfstandig naamwoord
  • ambacht; vak; werk waarmee je geld verdient
"dat hoort bij de risico's van het vak"
"[opscheppen/liegen] is ook een vak"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

vak
Zelfstandig naamwoord
  • beroep
vak
Zelfstandig naamwoord
  • ingedeeld stuk, bijv. schap, baanvak, supportersvak
vak
Zelfstandig naamwoord
  • schoolvak, leervak