Betekenis van:
beroep

beroep
Zelfstandig naamwoord
  • een bezigheid waarmee men de kost verdient
"Hij is bakker van beroep."
beroep (het ~ | meervoud beroepen)
Zelfstandig naamwoord
  • dringend verzoek om bijstand; verzoek om bijstand
"een beroep doen [op iemand]"
"een beroep op [iemand/iemands discretie/verantwoordelijkheid]"

Synoniemen

Hyperoniemen

beroep (het ~ | meervoud beroepen)
Zelfstandig naamwoord
  • ambacht; vak; werk waarmee je geld verdient
"het horizontale beroep"
"een beroep uitoefenen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

beroep (het ~ | meervoud beroepen)
Zelfstandig naamwoord
  • het zich wenden tot een hogere rechtsinstantie om herziening van een vonnis, van een beschikking; wenden tot hogere rechtsinstantie
"hoger beroep aantekenen"
"in (hoger) beroep gaan"

Synoniemen

Hyperoniemen

beroep (de ~ | meervoud beroepen)
Zelfstandig naamwoord
  • datgene waartoe men zich geroepen voelt; uitnodiging aan predikant
"een beroep krijgen/aannemen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord