Betekenis van:
hoog

hoog
Bijvoeglijk naamwoord
  • (van geluid) met een groot aantal trillingen per tijdseenheid
"een hoge stem"
"hoge tonen/noten"
hoog
Bijvoeglijk naamwoord
  • reikend tot of zich bevindend op een punt dat naar verhouding ver boven een ander punt ligt
"hoog 'in de lucht'/'aan de hemel'/'in de bergen'"
"[zestig meter] hoog"
hoog
Bijvoeglijk naamwoord
  • ver in rang; voornaam
"hoog bezoek"
"de hoge adel"

Synoniemen

hoog
Bijvoeglijk naamwoord
  • behoorlijk; aanzienlijk; aanmerkelijk; behoorlijk; van belang; aanzienlijk; van groot belang; beduidend; ingrijpend; flink; aanzienlijk
"een hoog bedrag/gehalte/percentage/tempo"
"een hoge opbrengst/prijs/snelheid"

Synoniemen

hoog
Bijvoeglijk naamwoord
  • fysiek ver boven iets anders
hoog
Bijvoeglijk naamwoord
  • vergevorderd in een rangorde of volgorde
hoog
Bijvoeglijk naamwoord
  • (geluid) met een groot aantal trillingen per tijdseenheid
hoog
Bijvoeglijk naamwoord
  • met een groot aanzien

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Mijn hartslag is hoog.
  2. Hoe hoog is die toren?
  3. Hoe hoog is de Fujiberg?
  4. Hoe hoog is die berg?
  5. Het niveau van de school is hoog.
  6. De huur is verdorie veel te hoog.
  7. Spring zo hoog als ge kunt.
  8. Het gebouw is honderd meter hoog.
  9. Het is hoog tijd plaats te maken voor jongere mensen.
  10. Televisie kan een belangrijke cultuurbron zijn en haar schooluitzendingen staan in veel scholen hoog aangeschreven.
  11. Vind je niet dat de belastingen in Japan te hoog zijn?
  12. Hoog magnesiumgehalte
  13. Hoog struisgras
  14. Hoog water
  15. Hoog toerental