Betekenis van:
tellen

tellen
Werkwoord
  • het aantal bepalen waaruit een hoeveelheid bestaat
"je geld tellen"
"je zegeningen tellen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

tellen
Werkwoord
  • een reeks van getallen of hoeveelheden in de natuurlijke volgorde opnoemen
"tot [honderd/tweehonderd] tellen"
"je kijkt of je niet tot tien/drie kunt tellen"

Hyperoniemen

Hyponiemen

tellen
Werkwoord
  • aantal bepalen
tel (de ~ | meervoud tellen)
Zelfstandig naamwoord
  • het tellen; het tellen of geteld worden
"de tel kwijt zijn"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

tel (de ~ | meervoud tellen)
Zelfstandig naamwoord
  • viervoeter die links-rechts loopt; paard dat rechts-links loopt

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Hij kan niet tellen.
  2. Mijn zoon kan al tot honderd tellen.
  3. Hij is niet verstandig genoeg om getallen in het hoofd op te tellen.
  4. Ze is nog maar twee jaar, maar ze kan al tot 100 tellen.
  5. Ze is nog maar twee jaar, maar ze kan al tot 100 tellen.
  6. Als er geen leven na de dood is, kan je dit leven maar beter laten tellen.
  7. Het is eigen aan de armen hun vee te tellen
  8. Op te tellen
  9. Dienst om geografische objecten te tellen.
  10. Diezelfde eisen gelden bij het tellen van items.
  11. De groep moet acht à twaalf leden tellen.
  12. Dat gebeurde door de bovengenoemde winstmarge van 8 % bij de productiekosten op te tellen.
  13. Het totale kipgehalte wordt berekend door het vetgehalte op te tellen bij het vetvrije kipgehalte.
  14. Deze prijs werd berekend door bovengenoemde winstmarge van 7 % bij de productiekosten op te tellen.
  15. Dat gebeurde door de bovengenoemde winstmarge van 8,5 % bij de productiekosten op te tellen.