Betekenis van:
veroorloven

Werkwoord

veroorloven
''zich ~'' in staat zijn een bepaalde luxe te genieten
"Hij kon zich niet meer veroorloven op vakantie te gaan."
veroorloven
goedvinden; toestaan; veroorloven; permitteren
"je [een korte vakantie/pauze] veroorloven"
"je veroorloven [een dag niet] te [werken]"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

veroorloven
iets durven

Synoniemen

Hyperoniemen