Betekenis van:
was

was (de ~ | meervoud wassen)
Zelfstandig naamwoord
  • het doen v.e. was
"twee/drie wassen in de week doen/draaien"
"een kind kan de was doen"

Hyperoniemen

Hyponiemen

was (de/het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • vettige stof
"als was in iemands handen zijn"
"in de was zetten"

Hyperoniemen

Hyponiemen

was
Zelfstandig naamwoord
  • het wassen, het schoonmaken met een vloeistof
"De was en de strijk zijn een steeds weerkerende klus."
was
Zelfstandig naamwoord
  • het wasgoed:
"Ik moet de was nog te drogen hangen."
was
Zelfstandig naamwoord
  • (aan)groei, stijging (vooral van water)
"De was van een rivier is moeilijk te stuiten."
was (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • was; te wassen goed
"de vuile/schone was"
"de bonte/witte was"

Synoniemen

Hyperoniemen

was
Zelfstandig naamwoord
  • stijging van de waterstand

Hyperoniemen

was
Zelfstandig naamwoord
  • weke laagsmeltende en waterafstotende stof zoals deze door bijen afgescheiden wordt om hun raten mee te bouwen
was
Werkwoord
  • vormt de gebiedende wijs van de voltooid verleden tijd van ergatieve werkwoorden
"Was toch naar huis gegaan!"

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Ze was mooi toen ze jong was.
  2. Hoewel hij arm was, was hij gelukkig.
  3. Haar toespraak was uitmuntend.
  4. Dit boek was gemakkelijk.
  5. De kamer was warm.
  6. Het was heet gisteren.
  7. Oh, ik was ziek.
  8. Ik was lerares.
  9. Alle melk was gemorst.
  10. Waar was de politie?
  11. Hij was zojuist gearriveerd.
  12. Was je handen.
  13. De pijn was ondraaglijk.
  14. Ik was erg moe.
  15. Gisteren was het bewolkt.