Vertaling van einstellen

Inhoud:

Duits
Nederlands
einstellen, justieren, anpassen {ww.}
verstellen
afstellen
passend maken
instellen 

ich werde einstellen
du wirst einstellen
er/sie/es wird einstellen

ik zal verstellen
jij zult verstellen
hij/zij/het zal verstellen
» meer vervoegingen van verstellen

abschaffen, aufheben, niederschlagen, einstellen {ww.}
afschaffen 
supprimeren

ich werde einstellen
du wirst einstellen
er/sie/es wird einstellen

ik zal afschaffen
jij zult afschaffen
hij/zij/het zal afschaffen
» meer vervoegingen van afschaffen

stimmen, einstellen {zn.}
afstelling
afstemming [v] (de ~)
instelling [v] (de ~)
stemmen
stimmen, einstellen {ww.}
tunen
stemmen

ich werde einstellen
du wirst einstellen
er/sie/es wird einstellen

ik zal stemmen
jij zult stemmen
hij/zij/het zal stemmen
» meer vervoegingen van stemmen

ein Ende machen, beenden, Einhalt gebieten, einstellen {ww.}
afbreken 
opbreken
opheffen
staken
stelpen
stoppen 
stopzetten

ich werde einstellen
du wirst einstellen
er/sie/es wird einstellen

ik zal afbreken
jij zult afbreken
hij/zij/het zal afbreken
» meer vervoegingen van afbreken

stimmen, einstellen {ww.}
afstemmen
stemmen

ich werde einstellen
du wirst einstellen
er/sie/es wird einstellen

ik zal afstemmen
jij zult afstemmen
hij/zij/het zal afstemmen
» meer vervoegingen van afstemmen

engagieren, verpflichten, anstellen, einstellen, in Dienst nehmen, bewegen, veranlassen, nötigen {ww.}
betrekken 
engageren
in dienst nemen

ich werde einstellen
du wirst einstellen
er/sie/es wird einstellen

ik zal betrekken
jij zult betrekken
hij/zij/het zal betrekken
» meer vervoegingen van betrekken

stimmen, einstellen {ww.}
stemmen

ich werde einstellen
du wirst einstellen
er/sie/es wird einstellen

ik zal stemmen
jij zult stemmen
hij/zij/het zal stemmen
» meer vervoegingen van stemmen

stimmen, einstellen {ww.}
gelijkstemmen
stemmen

ich werde einstellen
du wirst einstellen
er/sie/es wird einstellen

ik zal gelijkstemmen
jij zult gelijkstemmen
hij/zij/het zal gelijkstemmen
» meer vervoegingen van gelijkstemmen

anwerben, dingen, heuern, mieten, in Dienst nehmen, in Lohn nehmen, anstellen, einstellen {ww.}
huren 
in dienst nemen
aanwerven 
aannemen 
tewerkstellen

ich werde einstellen
du wirst einstellen
er/sie/es wird einstellen

ik zal huren
jij zult huren
hij/zij/het zal huren
» meer vervoegingen van huren

Ich wollte einen Bus mieten.
Ik wilde een bus huren.
Ich wollte einen Reisebus mieten.
Ik wilde een touringcar huren.
beschließen, enden, beenden, endigen, beendigen, erledigen, vollenden, abschließen, schließen, einstellen {ww.}
afmaken 
uitmaken 
afsluiten 
besluiten 
beëindigen
voleindigen

ich werde einstellen
du wirst einstellen
er/sie/es wird einstellen

ik zal afmaken
jij zult afmaken
hij/zij/het zal afmaken
» meer vervoegingen van afmaken

stimmen, einstellen {ww.}
intoneren
stemmen

ich werde einstellen
du wirst einstellen
er/sie/es wird einstellen

ik zal intoneren
jij zult intoneren
hij/zij/het zal intoneren
» meer vervoegingen van intoneren

Anstellen, Einstellen [o] (das ~), Anstellung [v] (die ~), Engagieren, Anheuern {zn.}
aanmonstering [v]
engagement [o]
huur