Vertaling van veranlassen

Inhoud:

Duits
Nederlands
engagieren, verpflichten, anstellen, einstellen, in Dienst nehmen, bewegen, veranlassen, nötigen {ww.}
engageren
in dienst nemen
betrekken 

wir veranlassen
sie veranlassen

wij engageren
zij engageren
» meer vervoegingen van engageren

antun, bewirken, veranlassen, verursachen, zufügen, bereiten {ww.}
veroorzaken
teweegbrengen
aanrichten 
stichten 
aandoen

wir veranlassen
sie veranlassen

wij veroorzaken
zij veroorzaken
» meer vervoegingen van veroorzaken

anstiften, veranlassen {ww.}
het initiatief nemen tot
de stoot geven tot
machen, tun, stellen, bereiten, ausführen, verrichten, erledigen, abstatten, begehen, schließen, anfertigen, herstellen, erzeugen, hervorbringen, erschaffen, unterbreiten, halten, geben, schneiden, brauen, zurechtmachen, ordnen, zubereiten, bewirken, verursachen, hervorrufen, veranlassen, erregen, anrichten, ernennen, abhalten {ww.}
doen 
maken 
uitvoeren 
uitrichten
uitbrengen
bedrijven 
aanmaken 

wir veranlassen
sie veranlassen

wij doen
zij doen
» meer vervoegingen van doen

Was muss ich tun?
Wat moet ik doen?
Was willst du tun?
Wat wil je doen?
machen, veranlassen {ww.}
doen 
maken 
laten
laten doen

wir veranlassen
sie veranlassen

wij doen
zij doen
» meer vervoegingen van doen

Was muss ich machen?
Wat moet ik doen?
Lass uns eine Kaffeepause machen.
Laten we koffiepauze houden.