Vertaling van home

Inhoud:

Engels
Nederlands
home {zn.}
thuis
tehuis 
Nobody at home?
Niemand thuis?
Are you home?
Ben je thuis?
home {bw.}
huiswaarts
naar huis
domestic, home {bn.}
eigen 
huiselijk
vertrouwd
abode, dwelling, residence, domicile, home, accommodation {zn.}
woning  [v]
logies [o]
kwartier  [o]
onderkomen [o]
They hired a moving company to transport their belongings to their new home.
Ze hebben een verhuisfirma gevraagd om hun eigendommen naar hun nieuwe woning te verhuizen.

Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

Are you home?

Ben je thuis?

May I go home?

Mag ik naar huis gaan?

Go back home.

Ga terug naar huis.

I'm bored at home!

Ik verveel me thuis!

I sent her home.

Ik heb haar naar huis gestuurd.

No place like home.

Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens.

Welcome to our home.

Welkom bij ons.

David is at home.

David is thuis.

Education starts at home.

Opvoeding begint thuis.

Staying home isn't fun.

Thuis blijven is niet leuk.

You're never at home.

Je bent nooit thuis.

I was at home.

Ik was thuis.

We are at home.

We zijn thuis.

Nobody at home?

Niemand thuis?

His home country is Germany.

Zijn vaderland is Duitsland.


Gerelateerd aan home

domestic - abode - dwelling - residence - domicile - accommodation