Vertaling van place

Inhoud:

Engels
Nederlands
place, seat {zn.}
zitplaats [v]
place, field, site, locale {zn.}
plaats  [v]
plek 
oord
lokaal 
He had no place to live.
Hij had geen plek om te wonen.
She was at the wrong place at the wrong time.
Ze was op de verkeerde plek op het verkeerde moment.
to attach, to put onto, to add, to append, to apply, to assign, to paste, to place {ww.}
voordoen
aanzetten

I place
you place
we place

ik doe voor
jij doet voor
wij doen voor
» meer vervoegingen van voordoen

to place, to post, to send, to station {ww.}
liggen

I place
you place
we place

ik lig
jij ligt
wij liggen
» meer vervoegingen van liggen

to place, to post, to send, to station {ww.}
posteren

I place
you place
we place

ik posteer
jij posteert
wij posteren
» meer vervoegingen van posteren

to place, to post, to send, to station {ww.}
detacheren

I place
you place
we place

ik detacheer
jij detacheert
wij detacheren
» meer vervoegingen van detacheren

to locate, to place, to position, to set {ww.}
plaatsen 
stationeren
situeren
leggen 

I place
you place
we place

ik plaats
jij plaatst
wij plaatsen
» meer vervoegingen van plaatsen

I can place the palms of my hands on the floor without bending my knees.
Ik kan mijn handpalmen op de vloer plaatsen zonder mijn knieën te buigen.
to lay down, to place, to put, to put down, to lay, to set {ww.}
doen 
zetten 
stellen
plaatsen 
steken
leggen 
stoppen 

I place
you place
we place

ik doe
jij doet
wij doen
» meer vervoegingen van doen

I can put things in a box.
Ik kan dingen in een doos steken.
In May, all birds lay an egg.
In mei leggen alle vogeltjes een ei.
location, place, spot, field, site, venue {zn.}
plaats  [v]
zetel [m]
ruimte
oord
lokaliteit [v]
The meeting took place yesterday.
De ontmoeting had gisteren plaats.
The match didn't take place.
De wedstrijd vond niet plaats.
stead, place, spot {zn.}
gehucht [o]
to commit, to invest, to place, to put {ww.}
investeren

I place
you place
we place

ik investeer
jij investeert
wij investeren
» meer vervoegingen van investeren

to lay, to place, to pose, to position, to put, to set {ww.}
leggen

I place
you place
we place

ik leg
jij legt
wij leggen
» meer vervoegingen van leggen

to grade, to order, to place, to range, to rank, to rate {ww.}
inschalen

I place
you place
we place

ik schaal in
jij schaalt in
wij schalen in
» meer vervoegingen van inschalen

to lay, to place, to pose, to position, to put, to set {ww.}
doen
stoppen
steken

I place
you place
we place

ik doe
jij doet
wij doen
» meer vervoegingen van doen

to aim, to direct, to place, to point, to target {ww.}
richten

I place
you place
we place

ik richt
jij richt
wij richten
» meer vervoegingen van richten

to lay, to place, to pose, to position, to put, to set {ww.}
stellen
plaatsen

I place
you place
we place

ik stel
jij stelt
wij stellen
» meer vervoegingen van stellen

to aim, to direct, to place, to point, to target {ww.}
nawijzen

I place
you place
we place

ik wijs na
jij wijst na
wij wijzen na
» meer vervoegingen van nawijzen

to identify, to place {ww.}
identificeren

I place
you place
we place

ik identificeer
jij identificeert
wij identificeren
» meer vervoegingen van identificeren

to lay, to place, to pose, to position, to put, to set {ww.}
steken

I place
you place
we place

ik steek
jij steekt
wij steken
» meer vervoegingen van steken

to lay, to place, to pose, to position, to put, to set {ww.}
deponeren
voorleggen
leggen
neerleggen
rusten

I place
you place
we place

ik deponeer
jij deponeert
wij deponeren
» meer vervoegingen van deponeren

to lay, to place, to pose, to position, to put, to set {ww.}
aanzetten

I place
you place
we place

ik zet aan
jij zet aan
wij zetten aan
» meer vervoegingen van aanzetten

to aim, to direct, to place, to point, to target {ww.}
aansturen

I place
you place
we place

ik stuur aan
jij stuurt aan
wij sturen aan
» meer vervoegingen van aansturen

to commit, to invest, to place, to put {ww.}
beleggen

I place
you place
we place

ik beleg
jij belegt
wij beleggen
» meer vervoegingen van beleggen

to identify, to place {ww.}
legitimeren

I place
you place
we place

ik legitimeer
jij legitimeert
wij legitimeren
» meer vervoegingen van legitimeren

to commit, to invest, to place, to put {ww.}
vastzetten
vastleggen

I place
you place
we place

ik zet vast
jij zet vast
wij zetten vast
» meer vervoegingen van vastzetten

to commit, to invest, to place, to put {ww.}
uitzetten
plaatsen

I place
you place
we place

ik zet uit
jij zet uit
wij zetten uit
» meer vervoegingen van uitzetten

to grade, to order, to place, to range, to rank, to rate {ww.}
plaatsen

I place
you place
we place

ik plaats
jij plaatst
wij plaatsen
» meer vervoegingen van plaatsen

to localise, to localize, to place {ww.}
lokaliseren

I place
you place
we place

ik lokaliseer
jij lokaliseert
wij lokaliseren
» meer vervoegingen van lokaliseren

to identify, to place {ww.}
identificeren

I place
you place
we place

ik identificeer
jij identificeert
wij identificeren
» meer vervoegingen van identificeren

to aim, to direct, to place, to point, to target {ww.}
beogen

I place
you place
we place

ik beoog
jij beoogt
wij beogen
» meer vervoegingen van beogen

to lay, to place, to pose, to position, to put, to set {ww.}
opstellen

I place
you place
we place

ik stel op
jij stelt op
wij stellen op
» meer vervoegingen van opstellen


Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

No place is safe.

Het is nergens veilig.

No place like home.

Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens.

The match didn't take place.

De wedstrijd vond niet plaats.

The meeting took place yesterday.

De ontmoeting had gisteren plaats.

Who could take his place?

Wie zou hem kunnen vervangen?

He had no place to live.

Hij had geen plek om te wonen.

The wedding will take place next spring.

De bruiloft zal in het voorjaar plaatsvinden.

Pardon me, what place is this?

Mag ik u vragen? Welke plaats is dit?

What would you do in my place?

Wat zoudt ge doen in mijn plaats?

Cars took the place of bicycles.

Auto's vervingen de fietsen.

Please put it back in its place.

Leg het terug op zijn plaats, alstublieft.

Why don't you go in my place?

Waarom ga je niet in mijn plaats?

The ceremony will take place tomorrow.

De ceremonie zal morgen plaatsvinden.

There is no place like home.

Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens.

This is the place where my father was born.

Dit is de plaats waar mijn vader geboren was.


Gerelateerd aan place

seat - field - site - locale - attach - put onto - add - append - apply - assign - paste - post - send - station - locateabide - stand - billet - pass - lay - assort - turn - displace - deride - demonstrate - apply - dig - unlock - drive - commit - domiciliate - measure - assay - endeavor