Vertaling van station

Inhoud:

Engels
Nederlands
to station, to advance {ww.}
vooruitzetten
vooruitbrengen
station {zn.}
station [o]
stationsgebouw [o]
Where is the station?
Waar is het station?
Where is the nearest station?
Waar is het dichtstbije station?
stage, station, stop, terminal {zn.}
station [o]
halte [v]
statie [v]
I am near the station.
Ik ben in de buurt van de statie.
I'm getting off at the next station.
Ik stap uit in het volgende station.
post, capacity, job, office, position, station, appointment {zn.}
baan  [v]
post 
wachtpost
plaats  [v]
werkkring [m]
betrekking  [v]
ambt  [o]
I'm looking for a job.
Ik zoek een baan.
My sister has a job.
Mijn zus heeft een baan.
grade, rank, status, station, standing {zn.}
status
rang
stand
graad 
foothold, footing, stand, station {zn.}
standplaats
staanplaats
exchange, station {zn.}
centrale [v]

Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

Where is the station?

Waar is het station?

Where is the nearest station?

Waar is het dichtstbije station?

The train station is nearby.

Het treinstation is dichtbij.

Where is the railroad station?

Waar is het treinstation?

I am near the station.

Ik ben in de buurt van de statie.

Bus station

Busstation

Train station

Treinstation

I'm getting off at the next station.

Ik stap uit in het volgende station.

The train stops at every station.

De trein stopt op elk station.

Is there a gas station near here?

Is er een benzinestation in de buurt?

From which station does the train leave?

Uit welk station vertrekt de trein?

The school is farther than the station.

De school is verder dan het station.

Is there a bank near the station?

Is er een bank in de buurt van het station?

Where is the nearest train station?

Waar is het dichtstbijzijnde treinstation?

Tom got off at the wrong station.

Tom stapte op het verkeerde station uit.


Gerelateerd aan station

advance - stage - stop - terminal - post - capacity - job - office - position - appointment - grade - rank - status - standing - foothold