Vertaling van past
verleden tijd
voorbij
voorbij
praeterium
Voorbeelden in zinsverband
Tom is stuck in the past.
Tom zit vast in het verleden.
We can record the past and present.
We kunnen het verleden en het heden registreren.
It is twenty minutes past ten.
Het is tien voor half elf.
Everything was better in the past.
Vroeger was alles beter.
He's been staying at that hotel for the past five days.
Hij verbleef de afgelopen vijf dagen in dat hotel.
She was born just a generation past slavery; a time when there were no cars on the road or planes in the sky; when someone like her couldn't vote for two reasons — because she was a woman and because of the color of her skin.
Ze werd slechts een generatie voorbij slavernij geboren; in een tijd toen er geen auto's op de weg reden en geen vliegtuigen in de lucht vlogen; toen iemand als zij om twee redenen niet mocht stemmen - omdat ze een vrouw was en door de kleur van haar huid.