Vertaling van last

Inhoud:

Engels
Nederlands
last, past {bn.}
afgelopen 
laatstleden
verleden
verschenen
vervlogen
voorbij
last, final, hindmost, latest, latter, ultimate {bn.}
achterste
jongstgeleden
laatst 
to continue, to hold, to last {ww.}
aanhouden 

I last
you last
we last

ik houd aan
jij houdt aan
wij houden aan
» meer vervoegingen van aanhouden

to continue, to endure, to keep on, to last, to persist, to wear {ww.}
duren
voortduren
standhouden
beklijven
aanhouden 

I last
you last
we last

ik houd stand
jij houdt stand
wij houden stand
» meer vervoegingen van standhouden

You can never tell how long these meetings will last.
Je weet nooit hoelang deze vergaderingen zullen duren.
to continue, to last {ww.}
voortduren
continueren
doorlopen 
bestendigen

I last
you last
we last

ik continueer
jij continueert
wij continueren
» meer vervoegingen van continueren

final, conclusive, last, ultimate {bn.}
finaal
uiteindelijk 
to endure, to go, to hold out, to hold up, to last, to live, to live on, to survive {ww.}
voortleven

I last
you last
we last

ik leef voort
jij leeft voort
wij leven voort
» meer vervoegingen van voortleven

to endure, to go, to hold out, to hold up, to last, to live, to live on, to survive {ww.}
leven

I last
you last
we last

ik leef
jij leeft
wij leven
» meer vervoegingen van leven

Live and let live.
Leven en laten leven.
We live in peace.
We leven in vrede.
to endure, to last {ww.}
duren

they last

zij duren
» meer vervoegingen van duren

to endure, to go, to hold out, to hold up, to last, to live, to live on, to survive {ww.}
I live on the bottom floor.
Ik woon gelijkvloers.
What floor do you live on?
Op welke verdieping woont ge?

Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

He breathed his last.

Hij blies z'n laatste ademtocht uit.

I moved last month.

Ik verhuisde een maand geleden.

His father died last year.

Zijn vader is vorig jaar overleden.

This is the last straw.

Dit is de druppel.

They set out last night.

Gisteravond zijn ze vertrokken.

It was raining last night.

Het heeft geregend vannacht.

Were you tired last night?

Was je gisteravond moe?

He visited Kyoto last year.

Hij bezocht Kyoto vorig jaar.

His son died last year.

Zijn zoon is het afgelopen jaar gestorven.

Cobbler, stick to your last.

Schoenmaker blijf bij uw leest.

He stopped smoking last year.

Hij stopte met roken vorig jaar.

Imports exceeded exports last year.

De invoer was groter dan de uitvoer vorig jaar.

He changed school last year.

Hij veranderde van school vorig jaar.

This is the last time.

Dit is de laatste keer.

Shoemaker, stick to your last.

Schoenmaker, houd u bij uw leest.


Gerelateerd aan last

past - final - hindmost - latest - latter - ultimate - continue - hold - endure - keep on - persist - wear - conclusive - go - hold outbear on - be - continue - exist