Vertaling van plant

Inhoud:

Engels
Nederlands
to plant {ww.}
planten 
poten
aanplanten 

I plant
you plant
we plant

ik plant
jij plant
wij planten
» meer vervoegingen van planten

In March, the ground is still too cold to plant anything in the garden.
In maart is de grond nog te koud om iets in de tuin te planten.
to plant {ww.}
beplanten

I plant
you plant
we plant

ik beplant
jij beplant
wij beplanten
» meer vervoegingen van beplanten

plant {zn.}
plant 
Plant these seeds before summer sets in.
Plant deze zaden voordat de zomer begint.
The plant has an underground stem.
De plant heeft een ondergrondse steel.
plant {zn.}
plant 
groeisel
I want to give mum a plant.
Ik wil een plant aan mama geven.
I want to give Mom a plant.
Ik wil een plant aan mama geven.
to plant, to set {ww.}
aanplanten

I plant
you plant
we plant

ik plant aan
jij plant aan
wij planten aan
» meer vervoegingen van aanplanten

to plant, to set {ww.}
beplanten

I plant
you plant
we plant

ik beplant
jij beplant
wij beplanten
» meer vervoegingen van beplanten

factory, plant, works {zn.}
fabriek [v]
Hundreds of people work in this factory.
Honderden mensen werken in die fabriek.
They had to fire 300 men at the factory.
Ze moesten driehonderd mannen ontslaan in de fabriek.
to embed, to engraft, to imbed, to implant, to plant {ww.}
vestigen
inplanten

I plant
you plant
we plant

ik vestig
jij vestigt
wij vestigen
» meer vervoegingen van vestigen

to constitute, to establish, to found, to institute, to plant {ww.}
grondvesten
vestigen
stichten

I plant
you plant
we plant

ik grondvest
jij grondvest
wij grondvesten
» meer vervoegingen van grondvesten

to embed, to engraft, to imbed, to implant, to plant {ww.}
planten
inplanten

I plant
you plant
we plant

ik plant
jij plant
wij planten
» meer vervoegingen van planten

to implant, to plant {ww.}
aanpoten

I plant
you plant
we plant

ik poot aan
jij poot aan
wij poten aan
» meer vervoegingen van aanpoten

to constitute, to establish, to found, to institute, to plant {ww.}
oprichting [v] (de ~)
instelling [v] (de ~)

I plant

to implant, to plant {ww.}
implanteren
inplanten

I plant
you plant
we plant

ik implanteer
jij implanteert
wij implanteren
» meer vervoegingen van implanteren

to embed, to engraft, to imbed, to implant, to plant {ww.}
inbedden

I plant
you plant
we plant

ik bed in
jij bedt in
wij bedden in
» meer vervoegingen van inbedden


Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

Plant these seeds before summer sets in.

Plant deze zaden voordat de zomer begint.

The plant has an underground stem.

De plant heeft een ondergrondse steel.

I want to give mum a plant.

Ik wil een plant aan mama geven.

I want to give Mom a plant.

Ik wil een plant aan mama geven.

In March, the ground is still too cold to plant anything in the garden.

In maart is de grond nog te koud om iets in de tuin te planten.

Our company is planning to build a new chemical plant in Russia.

Ons bedrijf is van plan een nieuwe chemische fabriek te bouwen in Rusland.

At night, I put my bell pepper plants at the open window, so they can harden off a bit before I plant them outside, cause now they still have such thin stems.

's Nachts zet ik mijn paprikaplantjes bij het open raam, zodat ze een beetje kunnen harden voor ik ze buiten poot, want ze hebben nu nog zulke dunne steeltjes.


Gerelateerd aan plant

set - factory - works - embed - engraft - imbed - implant - constitute - establish - found - instituteembed - cater - lay - establish - dibble - beginning - enclose