Vertaling van works

Inhoud:

Engels
Nederlands
works, corpus {zn.}
werken 
oeuvre
machinery, mechanism, works {zn.}
mechanisme 
werk  [o]
machinerie [v]
factory, manufactory, works {zn.}
fabriek [v]
Hundreds of people work in this factory.
Honderden mensen werken in die fabriek.
They had to fire 300 men at the factory.
Ze moesten driehonderd mannen ontslaan in de fabriek.
factory, plant, works {zn.}
fabriek [v]
Thanks to the technological innovation, the maximum output of the factory has doubled.
Dankzij de technische innovatie, is de maximale productie van de fabriek verdubbeld.
Our company is planning to build a new chemical plant in Russia.
Ons bedrijf is van plan een nieuwe chemische fabriek te bouwen in Rusland.
factory, mill, works {zn.}
metaalfabriek [v]
to ferment, to rise, to work {ww.}
werken 
gisten
fermenteren

he/she/it works

hij/zij/het werkt
» meer vervoegingen van werken

Let's work.
Laat ons werken.
A man must work.
Een mens moet werken.
to act, to be effective, to have effect, to impact, to impinge, to work, to avail, to be efficacious, to affect {ww.}
werken 
uitwerken
uitwerking hebben
effect sorteren

he/she/it works

hij/zij/het werkt
» meer vervoegingen van werken

That won't work.
Het zal niet werken.
People ought to work.
Mensen moeten werken.
to control, to operate, to work, to enable, to implement, to actuate {ww.}
bedienen 

he/she/it works

hij/zij/het bedient
» meer vervoegingen van bedienen

to carve, to sculpture, to sculpt, to work {ww.}
beeldhouwen 
uithakken
uithouwen

he/she/it works

hij/zij/het beeldhouwt
» meer vervoegingen van beeldhouwen

to exploit, to utilize, to leverage, to take advantage of, to work {ww.}
exploiteren
uitbuiten
uitmelken

he/she/it works

hij/zij/het exploiteert
» meer vervoegingen van exploiteren

to act, to do, to make, to perform, to carry out, to commit, to form, to reach, to render, to work, to wage {ww.}
maken 
aanmaken 
bedrijven 
doen 
uitbrengen
uitrichten
uitvoeren 

he/she/it works

hij/zij/het maakt
» meer vervoegingen van maken

to work, to labour {ww.}
arbeiden 
werken 

he/she/it works

hij/zij/het arbeidt
» meer vervoegingen van arbeiden

to knead, to work {ww.}
kneden

he/she/it works

hij/zij/het kneedt
» meer vervoegingen van kneden

to function, to operate, to run, to work, to perform, to act {ww.}
functioneren 
het doen
in zijn werk gaan
werken 

he/she/it works

hij/zij/het functioneert
» meer vervoegingen van functioneren

to cultivate, to farm, to work {ww.}
bebouwen 
bewerken 
kweken

he/she/it works

hij/zij/het bebouwt
» meer vervoegingen van bebouwen

to work {ww.}
bewerken 
verwerken

he/she/it works

hij/zij/het bewerkt
» meer vervoegingen van bewerken


Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

My father works here.

Hier werkt mijn vader.

He works all night.

Hij werkt de hele nacht.

I guess that works.

Ik denk dat dat werkt.

Faith works miracles!

Geloof doet wonderen!

She works in world shop.

Ze werkt in een wereldwinkel.

He works for a bank.

Hij werkt bij een bank.

He works in a bank.

Hij werkt bij een bank.

Mary works in a supermarket.

Mary werkt bij een supermarkt.

He works at a bank.

Hij werkt bij een bank.

He works in the lab.

Hij werkt in het laboratorium.

My GPS works very well.

Mijn GPS doet het erg goed.

He works at the bank.

Hij werkt bij een bank.

Is this where your mother works?

Is dit waar je moeder werkt?

She works in a Fair Trade Shop.

Ze werkt in een wereldwinkel.

My brother works in a bank.

Mijn broer werkt bij een bank.


Gerelateerd aan works

corpus - machinery - mechanism - factory - manufactory - plant - mill - ferment - rise - work - act - be effective - have effect - impact - impinge