Vertaling van planted
I planted
you planted
he/she/it planted
ik plantte
jij plantte
hij/zij/het plantte
» meer vervoegingen van planten
I planted
you planted
he/she/it planted
ik beplantte
jij beplantte
hij/zij/het beplantte
» meer vervoegingen van beplanten
vestigen
stichten
I planted
you planted
he/she/it planted
ik grondvestte
jij grondvestte
hij/zij/het grondvestte
» meer vervoegingen van grondvesten
inplanten
I planted
you planted
he/she/it planted
ik vestigde
jij vestigde
hij/zij/het vestigde
» meer vervoegingen van vestigen
I planted
you planted
he/she/it planted
ik plantte aan
jij plantte aan
hij/zij/het plantte aan
» meer vervoegingen van aanplanten
inplanten
I planted
you planted
he/she/it planted
ik plantte
jij plantte
hij/zij/het plantte
» meer vervoegingen van planten
I planted
you planted
he/she/it planted
ik beplantte
jij beplantte
hij/zij/het beplantte
» meer vervoegingen van beplanten
I planted
you planted
he/she/it planted
ik pootte aan
jij pootte aan
hij/zij/het pootte aan
» meer vervoegingen van aanpoten
instelling
I planted
I planted
you planted
he/she/it planted
ik bedde in
jij bedde in
hij/zij/het bedde in
» meer vervoegingen van inbedden
inplanten
I planted
you planted
he/she/it planted
ik implanteerde
jij implanteerde
hij/zij/het implanteerde
» meer vervoegingen van implanteren
Voorbeelden in zinsverband
Who planted the tree?
Wie heeft de boom geplant?
These trees were planted by them.
Deze bomen zijn door hen geplant.
I planted an apple tree in my garden.
Ik heb een appelboom geplant in mijn tuin.
I planted an apple tree in my yard.
Ik heb een appelboom geplant in mijn tuin.