Vertaling van speech

Inhoud:

Engels
Nederlands
speech {zn.}
spraakvermogen
spraak
speech {zn.}
spreektrant
spraak
speech, discourse, talk, talking {zn.}
speech
redevoering [v]
rede
oratie [v]
Nobody was listening to the speech.
Niemand luisterde naar de speech.
Make a brief summary of your points at the end of the speech.
Vat je punten kort samen aan het einde van de speech.
speech, discourse, address {zn.}
vertoog
redevoering [v]
speech, speak {zn.}
spreken
spraak
He can speak Japanese.
Hij kan Japans spreken.
I can speak English.
Ik kan Engels spreken.
idiom, language, speech, tongue {zn.}
taaleigen 
idioom 
lecture, address, discourse, speech {zn.}
spreekbeurt
voordracht
lezing [v]
accost, address, intervention, message, speech {zn.}
toespraak
aanspraak  [v]
Her speech was excellent.
Haar toespraak was uitmuntend.
His speech moved us.
Zijn toespraak beroerde ons.

Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

Her speech was excellent.

Haar toespraak was uitmuntend.

His speech moved us.

Zijn toespraak beroerde ons.

How did your speech go?

Hoe ging je toespraak?

The ceremony began with his speech.

De ceremonie begon met zijn toespraak.

You need not prepare a formal speech.

Je hoeft geen formele toespraak voor te bereiden.

I was much impressed by his speech.

Ik was zeer onder de indruk van zijn toespraak.

Nobody was listening to the speech.

Niemand luisterde naar de speech.

Speech is silver, silence is golden.

Spreken is zilver, zwijgen is goud.

You don't need to prepare a formal speech.

Je hoeft geen formele toespraak voor te bereiden.

He fainted in the middle of his speech.

Hij viel in het midden van zijn toespraak flauw.

His speech was not very becoming to the occasion.

Zijn toespraak was niet erg gepast voor de gelegenheid.

There's no need for you to prepare a formal speech.

Je hoeft geen formele toespraak voor te bereiden.

Make a brief summary of your points at the end of the speech.

Vat je punten kort samen aan het einde van de speech.


Gerelateerd aan speech

discourse - talk - talking - address - speak - idiom - language - tongue - lecture - accost - intervention - message