Vertaling van to play

Inhoud:

Engels
Nederlands
to play, to play on {ww.}
bespelen

I play
you play
we play

ik bespeel
jij bespeelt
wij bespelen
» meer vervoegingen van bespelen

to play, to sing {ww.}
ten beste geven
ten gehore brengen
laten horen
to play, to enact, to perform {ww.}
spelen 
voorspelen
uitvoeren 

I play
you play
we play

ik speel
jij speelt
wij spelen
» meer vervoegingen van spelen

I can play Chopin.
Ik kan Chopin spelen.
Children play with toys.
Kinderen spelen met speelgoed.
to act as, to play {ww.}
optreden als
to introduce, to present, to offer, to perform, to play, to reenact, to render, to depict, to represent, to constitute {ww.}
spelen 
voorstellen
aanbieden 
vertonen
presenteren
indienen

I play
you play
we play

ik speel
jij speelt
wij spelen
» meer vervoegingen van spelen

Let's play soccer.
Laten we voetbal spelen.
Children need to play.
Kinderen moeten spelen.


Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

Mike likes to play basketball.

Mike speelt graag basketbal.

It's fun to play baseball.

Het is leuk om honkbal te spelen.

All boys like to play baseball.

Alle jongens spelen graag honkbal.

Oliver likes to play with Playmobil.

Oliver vindt het leuk om met Playmobil te spelen.

Ann had no friends to play with.

Ana had geen vrienden waarmee ze kon spelen.

It is easy to play tennis.

Tennis spelen is gemakkelijk.

It's dangerous to play around the fire.

Het is gevaarlijk dicht bij het vuur te spelen.

We went to the park to play.

We gingen naar het park om te spelen.

Will you allow me to play the piano?

Sta je me toe om piano te spelen?

I want you to play the guitar for me.

Ik wil dat ge gitaar speelt voor mij.

I'm going outside to play. Are you coming with?

Ik ga buiten spelen. Ga je mee?

This is what makes this game an absolute joy to play.

Dankzij dit is dit spel een absoluut genot om te spelen.

My little sister and I used to play tag a lot. We would chase each other, and the one chasing would try to tag the one being chased and yell: "You're it!"

Mijn zusje en ik deden vaak tikkertje. Dan renden we achter elkaar aan, en de achterste probeerde de voorste te tikken en riep: "Tikkie, jij bent hem!"


Gerelateerd aan to play

play - play on - sing - enact - perform - act as - introduce - present - offer - reenact - render - depict - represent - constitute