Vertaling van present

Inhoud:

Engels
Nederlands
present, present tense {zn.}
praesens
tegenwoordige tijd 
present {bn.}
aanwezig 
present 
tegenwoordig 
to introduce, to present, to offer, to perform, to play, to reenact, to render, to depict, to represent, to constitute {ww.}
spelen 
voorstellen
aanbieden 
presenteren
indienen
vertonen

I present
you present
we present

ik speel
jij speelt
wij spelen
» meer vervoegingen van spelen

I can play Chopin.
Ik kan Chopin spelen.
Children play with toys.
Kinderen spelen met speelgoed.
to present, to salute {ww.}
salueren
aanslaan

I present
you present
we present

ik salueer
jij salueert
wij salueren
» meer vervoegingen van salueren

to donate, to give, to grant, to present {ww.}
cadeau geven
schenken 

I present
you present
we present

ik schenk
jij schenkt
wij schenken
» meer vervoegingen van schenken

to present, to submit {ww.}
afstaan

I present
you present
we present

ik sta af
jij staat af
wij staan af
» meer vervoegingen van afstaan

to present, to represent, to stage {ww.}
opvoeren

I present
you present
we present

ik voer op
jij voert op
wij voeren op
» meer vervoegingen van opvoeren

current, present-day, present, topical, up-to-date, contemporary {bn.}
hedendaags
contemporain
eigentijds
actueel 
tegenwoordig 
current, present-day, present, topical, up-to-date, contemporary {bn.}
huidig
momentaan
tegenwoordig 
actueel 
actual, current, present, present-day, modern-day [o] {bn.}
hedendaags
huidig
van vandaag
huidige
modern [o]
current, present, contemporary, modern {bn.}
huidig
tegenwoordig 
modern
current, present, contemporary {bn.}
actueel 
eigentijds
tegenwoordig 
gift, present, donation {zn.}
geschenk  [o]
cadeau [o]
donatie  [v]
schenking [v]
gift [v]
Is this gift Laura's?
Is dit Laura's geschenk?
Thank you for your gift.
Bedankt voor je cadeau.
to deliver, to present {ww.}
afsteken

I present
you present
we present

ik steek af
jij steekt af
wij steken af
» meer vervoegingen van afsteken

to award, to present {ww.}
bekronen

I present
you present
we present

ik bekroon
jij bekroont
wij bekronen
» meer vervoegingen van bekronen

to gift, to give, to present {ww.}
geven
schenken

I present
you present
we present

ik geef
jij geeft
wij geven
» meer vervoegingen van geven

I'm not sure whom I should give this present: to the girl or to the boy?
Ik weet niet zeker aan wie ik dit cadeau moet geven: aan het meisje of aan de jongen?
Cows give milk.
Koeien geven melk.
to gift, to give, to present {ww.}
gunnen

I present
you present
we present

ik gun
jij gunt
wij gunnen
» meer vervoegingen van gunnen

to demo, to demonstrate, to exhibit, to present, to show {ww.}
tentoonstellen
exposeren

I present
you present
we present

ik stel tentoon
jij stelt tentoon
wij stellen tentoon
» meer vervoegingen van tentoonstellen

to acquaint, to introduce, to present {ww.}
voorstellen
inleiden
presenteren
introduceren

I present
you present
we present

ik stel voor
jij stelt voor
wij stellen voor
» meer vervoegingen van voorstellen


Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

The present password is "eosdigital".

Het huidige wachtwoord is "eosdigital".

She gave me a present.

Ze gaf me een cadeautje.

Thank you for your present.

Bedankt voor je cadeau.

It's a present for you.

Het is een geschenk voor u.

Thank you for the present.

Dank je voor het cadeau.

Ann gave me this present.

Ann gaf mij dit geschenk.

He gave me a present.

Hij gaf me een cadeau.

They each received a present.

Ze hebben elk een geschenk ontvangen.

He sent me a present.

Hij stuurde me een geschenk.

She was present at the party.

Ze was aanwezig op het feestje.

I accepted a present from his sister.

Ik heb een geschenk aanvaard van zijn zuster.

Every member of the club was present.

Elk lid van de club was aanwezig.

My uncle gave him a present.

Mijn oom gaf hem een geschenk.

He is present at the meeting.

Hij is aanwezig op de vergadering.

The present government has many problems.

De huidige regering heeft veel problemen.


Gerelateerd aan present

present tense - introduce - offer - perform - play - reenact - render - depict - represent - constitute - salute - donate - give - grant - submitgreet - gift - perform - mod - give - favor - cater - allow - show - announce