Vertaling van rijs

Inhoud:

Nederlands
Engels
rank [v], rijs, twijg, zwik {zn.}
sprig 
twig
rijzen, wassen {ww.}
to rise 
to mount 

ik rijs

I rise
» meer vervoegingen van to rise

opzetten, rijzen, uitdijen, zwellen, opzwellen {ww.}
to become swollen
to swell

ik rijs

I swell
» meer vervoegingen van to swell

opgaan, opkomen, opstaan, rijzen, stijgen, verrijzen, wassen {ww.}
to get up
to rise 
to go up
to ascend 
to arise 

ik rijs

I rise
» meer vervoegingen van to rise

Ik wilde niet vroeg opstaan.
I didn't want to get up early.
oplopen, rijzen, stijgen {ww.}
to advance 
to accrue 
to go up
to increase 
to ascend 

ik rijs

I advance
» meer vervoegingen van to advance

klimmen, naar boven gaan, rijzen, stijgen, bestijgen {ww.}
to ascend 
to climb 
to go up
to arise 

ik rijs

I ascend
» meer vervoegingen van to ascend

takkenbos [m] (de ~), bussel [m] (de ~), mutsaard, rijs, rijsbos {zn.}
fagot
faggot
rijshout [o] (het ~), griend [m] (de ~), griendhout, rijs {zn.}
osier
twijg [m] (de ~), rijs [o] (het ~), teen [m] (de ~), wis {zn.}
stick

Gerelateerd aan rijs

rank - twijg - zwik - rijzen - wassen - opzetten - uitdijen - zwellen - opzwellen - opgaan - opkomen - opstaan - stijgen - verrijzen - oplopenbos - hout - tak