Vertaling van vinden

Inhoud:

Nederlands
Engels
vinden, bevinden, treffen, aantreffen {ww.}
to find 
to spot 
to strike 
to locate 

wij vinden
jullie vinden
zij vinden

we find
you find
they find
» meer vervoegingen van to find

Kan je het vinden?
Can you find it?
Ik moet het vinden.
I must find it.
vinden, denken, menen {ww.}
to think
to believe
to consider
to conceive

wij vinden
jullie vinden
zij vinden

we think
you think
they think
» meer vervoegingen van to think

Weinig mensen denken zo.
Few people think so.
De meeste mensen denken dat.
Most people think so.
vinden {ww.}
to find
to happen
to chance
to encounter
to bump

wij vinden
jullie vinden
zij vinden

we find
you find
they find
» meer vervoegingen van to find

Ik moet het vinden.
I have to find it.
Ik kan Tim niet vinden.
I can't find Tim.
vinden {ww.}
to find
to observe
to notice
to discover
to detect

wij vinden
jullie vinden
zij vinden

we find
you find
they find
» meer vervoegingen van to find

Ik kan hem nergens vinden.
I can't find him anywhere.
achten, geloven, van mening zijn, vinden {ww.}
to think 
to see 
to reckon
to hold 
to feel 
to account 
to opine
to deem

wij vinden
jullie vinden
zij vinden

we think
you think
they think
» meer vervoegingen van to think

Eerst zien, dan geloven.
To see is to believe.
Wij vinden Venetië een fascinerende stad.
We think Venice a fascinating city.
uitdenken, verzinnen, vinden, bedenken, concipiëren, smeden {ww.}
to project
to design
to plan
to contrive

wij vinden
jullie vinden
zij vinden

we project
you project
they project
» meer vervoegingen van to project


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Kan je het vinden?

Can you find it?

Ik moet het vinden.

I must find it.

Ik moet het vinden.

I have to find it.

Je gaat dit geweldig vinden.

You're gonna love this.

Ik kan hem nergens vinden.

I can't find him anywhere.

Vinden andere mensen me leuk?

Do other people like me?

Zoek en gij zult vinden.

Seek, and you will find.

Ik kan Tim niet vinden.

I can't find Tim.

Ik kon het nergens vinden.

I couldn't find it anywhere.

Ik kan mijn horloge niet vinden.

I can't find my watch.

Ik kan mijn handschoenen niet vinden.

I can't find my gloves.

Ik kon zijn huis niet vinden.

I couldn't find his house.

Het werd moeilijk om buffels te vinden.

It became difficult to find buffalo.

Hij kan zijn hoed niet vinden.

He can't find his hat.

De ring was nergens te vinden.

The ring was nowhere to be found.


Gerelateerd aan vinden

bevinden - treffen - aantreffen - denken - menen - achten - geloven - van mening zijn - uitdenken - verzinnen - bedenken - concipiëren - smedenzijn - passeren - denken