Vertaling van gaat
jij gaat
hij/zij/het gaat
tú tocas
él/ella toca
» meer vervoegingen van tocar
ir en vehículo
jij gaat
hij/zij/het gaat
tú vas
él/ella va
» meer vervoegingen van ir
jij gaat
hij/zij/het gaat
tú vas
él/ella va
» meer vervoegingen van ir
Voorbeelden in zinsverband
Hij gaat je helpen.
Él te va a ayudar.
Gaat u zitten.
Siéntese, por favor.
Waar gaat ge naartoe?
¿Para dónde vas?
Hoe gaat het ermee?
¿Cómo van las cosas?
Hoe gaat het?
¿Cómo te va?
Mij gaat het goed.
Estoy bien.
Het leven gaat verder.
La vida continúa.
Gaat het morgen regenen?
¿Lloverá mañana?
Het gaat bewolkt zijn.
Estará nublado.
Gaat het vanmiddag regenen?
¿Lloverá esta tarde?
Het gaat regenen.
Está a punto de llover.
Hoe gaat ie?
¿Cómo va?
Hoi, hoe gaat het?
Hola, ¿qué tal?
Waarover gaat de tekst?
¿De qué se trata ese texto?
Morgen gaat het sneeuwen.
Mañana nevará.