Vertaling van gaat

Inhoud:

Nederlands
Spaans
gaan, kleppen, klinken, overgaan, slaan {ww.}
tocar

jij gaat
hij/zij/het gaat

tocas
él/ella toca
» meer vervoegingen van tocar

gaan, karren, rijden, varen {ww.}
ir
ir en vehículo

jij gaat
hij/zij/het gaat

vas
él/ella va
» meer vervoegingen van ir

Ik moet gaan.
Me debería ir.
Ze liet haar gaan.
La dejó ir.
gaan, lopen, van stapel lopen, verlopen, zich begeven {ww.}
ir

jij gaat
hij/zij/het gaat

vas
él/ella va
» meer vervoegingen van ir

Moet ik nu gaan?
¿Debo ir ahora?
Moet ik onmiddellijk gaan?
¿Tengo que ir enseguida?


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Spaans

Hij gaat je helpen.

Él te va a ayudar.

Gaat u zitten.

Siéntese, por favor.

Waar gaat ge naartoe?

¿Para dónde vas?

Hoe gaat het ermee?

¿Cómo van las cosas?

Hoe gaat het?

¿Cómo te va?

Mij gaat het goed.

Estoy bien.

Het leven gaat verder.

La vida continúa.

Gaat het morgen regenen?

¿Lloverá mañana?

Het gaat bewolkt zijn.

Estará nublado.

Gaat het vanmiddag regenen?

¿Lloverá esta tarde?

Het gaat regenen.

Está a punto de llover.

Hoe gaat ie?

¿Cómo va?

Hoi, hoe gaat het?

Hola, ¿qué tal?

Waarover gaat de tekst?

¿De qué se trata ese texto?

Morgen gaat het sneeuwen.

Mañana nevará.


Gerelateerd aan gaat

gaan - kleppen - klinken - overgaan - slaan - karren - rijden - varen - lopen - van stapel lopen - verlopen - zich begeven