Vertaling van -wezen

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
wezen [o] {zn.}
wezen [o] {zn.}
Ik ben vandaag bloed wezen geven.
Ik ben vandaag bloed wezen geven.
De oorlog is in wezen voorbij.
De oorlog is in wezen voorbij.
afwijzen, verijdelen {ww.}
afwijzen
verijdelen {ww.}

ik wees af
jij wees af
hij/zij/het wees af

ik wees af
jij wees af
hij/zij/het wees af
» meer vervoegingen van afwijzen

beknorren, berispen, terechtwijzen, verwijten {ww.}
beknorren
berispen
terechtwijzen
verwijten {ww.}

ik beknorde
jij beknorde
hij/zij/het beknorde

ik beknorde
jij beknorde
hij/zij/het beknorde
» meer vervoegingen van beknorren

terechtwijzen {ww.}
terechtwijzen {ww.}

ik wees terecht
jij wees terecht
hij/zij/het wees terecht

ik wees terecht
jij wees terecht
hij/zij/het wees terecht
» meer vervoegingen van terechtwijzen

aantonen, adstrueren, bewijzen, staven, uitwijzen, waarmaken {ww.}
aantonen
adstrueren
bewijzen
staven
uitwijzen
waarmaken {ww.}

ik toonde aan
jij toonde aan
hij/zij/het toonde aan

ik toonde aan
jij toonde aan
hij/zij/het toonde aan
» meer vervoegingen van aantonen

laten zien, tentoonspreiden, tonen, vertonen, wijzen, uitwijzen {ww.}
laten zien
tentoonspreiden
tonen
vertonen
wijzen
uitwijzen {ww.}

ik spreidde tentoon
jij spreidde tentoon
hij/zij/het spreidde tentoon

ik spreidde tentoon
jij spreidde tentoon
hij/zij/het spreidde tentoon
» meer vervoegingen van tentoonspreiden

afslaan, afwijzen, verwerpen, weigeren, wraken, nee zeggen tegen {ww.}
afslaan
afwijzen
verwerpen
weigeren
wraken
nee zeggen tegen {ww.}

ik sloeg af
jij sloeg af
hij/zij/het sloeg af

ik sloeg af
jij sloeg af
hij/zij/het sloeg af
» meer vervoegingen van afslaan

toewijzen, voor het gerecht dagen {ww.}
toewijzen
voor het gerecht dagen {ww.}

ik wees toe
jij wees toe
hij/zij/het wees toe

ik wees toe
jij wees toe
hij/zij/het wees toe
» meer vervoegingen van toewijzen

gunnen, toekennen, toeslaan, toewijzen {ww.}
gunnen
toekennen
toeslaan
toewijzen {ww.}

ik gunde
jij gunde
hij/zij/het gunde

ik gunde
jij gunde
hij/zij/het gunde
» meer vervoegingen van gunnen

toewijzen {ww.}
toewijzen {ww.}

ik wees toe
jij wees toe
hij/zij/het wees toe

ik wees toe
jij wees toe
hij/zij/het wees toe
» meer vervoegingen van toewijzen

retourneren, terugbezorgen, terugsturen, terugwijzen, heruitzenden {ww.}
retourneren
terugbezorgen
terugsturen
terugwijzen
heruitzenden {ww.}

ik zond heruit
jij zond heruit
hij/zij/het zond heruit

ik retourneerde
jij retourneerde
hij/zij/het retourneerde
» meer vervoegingen van retourneren

de weg wijzen, terechthelpen, terechtwijzen {ww.}
de weg wijzen
terechthelpen
terechtwijzen {ww.}

ik hielp terecht
jij hielp terecht
hij/zij/het hielp terecht

ik hielp terecht
jij hielp terecht
hij/zij/het hielp terecht
» meer vervoegingen van terechthelpen

wezen [o], kern [v], essentie [v], wezenheid [v], essence [v] {zn.}
wezen [o]
kern [v]
essentie [v]
wezenheid [v]
essence [v] {zn.}
nawijzen {ww.}
nawijzen {ww.}

ik wees na
jij wees na
hij/zij/het wees na

ik wees na
jij wees na
hij/zij/het wees na
» meer vervoegingen van nawijzen

afwijzen, vaarwel zeggen {ww.}
afwijzen
vaarwel zeggen {ww.}

ik wees af
jij wees af
hij/zij/het wees af

ik wees af
jij wees af
hij/zij/het wees af
» meer vervoegingen van afwijzen

aanduiden, aangeven, aanwijzen, uitduiden, wijzen {ww.}
aanduiden
aangeven
aanwijzen
uitduiden
wijzen {ww.}

ik duidde aan
jij duidde aan
hij/zij/het duidde aan

ik duidde aan
jij duidde aan
hij/zij/het duidde aan
» meer vervoegingen van aanduiden

verbannen, uitwijzen, uitdrijven, uitjagen, naar buiten jagen {ww.}
verbannen
uitwijzen
uitdrijven
uitjagen
naar buiten jagen {ww.}

ik dreef uit
jij dreef uit
hij/zij/het dreef uit

ik verbande
jij verbande
hij/zij/het verbande
» meer vervoegingen van verbannen

We hebben hem uit het land verbannen.
We hebben hem uit het land verbannen.
wezen [o] {zn.}
wezen [o] {zn.}
zijn, wezen {ww.}
zijn
wezen {ww.}
Zijn voorspellingen zijn uitgekomen.
Zijn voorspellingen zijn uitgekomen.
Programmeertalen zijn zijn hobby.
Programmeertalen zijn zijn hobby.
zijn, wezen [o] {zn.}
zijn
wezen [o] {zn.}
Zijn schoenen zijn bruin.
Zijn schoenen zijn bruin.
zijn, wezen [o], wezenheid [v] {zn.}
zijn
wezen [o]
wezenheid [v] {zn.}
natuur [v], wezen [o], karakter [o], aard [m], geaardheid [v] {zn.}
natuur [v]
wezen [o]
karakter [o]
aard [m]
geaardheid [v] {zn.}
Ik hou van de natuur.
Ik hou van de natuur.
Heeft een hond een Boeddha-natuur of niet?
Heeft een hond een Boeddha-natuur of niet?
afkeuren, afwijzen, terugwijzen, vertikken, weigeren {ww.}
afkeuren
afwijzen
terugwijzen
vertikken
weigeren {ww.}

ik keurde af
jij keurde af
hij/zij/het keurde af

ik keurde af
jij keurde af
hij/zij/het keurde af
» meer vervoegingen van afkeuren



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Ik ben vandaag bloed wezen geven.

Ik ben vandaag bloed wezen geven.

De oorlog is in wezen voorbij.

De oorlog is in wezen voorbij.