Vertaling van geschift
getikt
getroebleerd
getroubleerd
tureluurs {bn.}
geschift {bn.}
schiften
afscheiden
afzonderen {ww.}
ik heb afgescheiden
ik had afgescheiden
ik zal afgescheiden hebben
ik heb gescheiden
ik had gescheiden
ik zal gescheiden hebben
» meer vervoegingen van scheiden
ik heb geschift
ik had geschift
ik zal geschift hebben
ik heb geschift
ik had geschift
ik zal geschift hebben
» meer vervoegingen van schiften
schiften {ww.}
ik heb geschift
ik had geschift
ik zal geschift hebben
ik heb gestremd
ik had gestremd
ik zal gestremd hebben
» meer vervoegingen van stremmen
besodemieterd
betoeterd
crazy
dwaas
gaga
geschift
geschuffeld
gesjochten
gestoord
getikt
getroebleerd
halfwijs
inept
kierewiet
kolderiek
krankjorum
lijp
maf
mal
mallotig
mesjokke
toktok
tureluurs
verknipt
zot
achterlijk
gek
mesjoche
bezopen
halfgaar
krankzinnig
geflipt {bn.}
geschift {ww.}
ik heb geschift
ik had geschift
ik zal geschift hebben
ik heb geschift
ik had geschift
ik zal geschift hebben
» meer vervoegingen van schiften
selecteren {ww.}
ik heb geschift
ik had geschift
ik zal geschift hebben
ik heb geschift
ik had geschift
ik zal geschift hebben
» meer vervoegingen van schiften