Vertaling van heil

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
heil, zaligheid [v], gelukzaligheid [v] {zn.}
heil
zaligheid [v]
gelukzaligheid [v] {zn.}
Buiten de kerk geen heil (redding of zaligheid)
Buiten de kerk geen heil (redding of zaligheid)
Tot heil voor mens en dier
Tot heil voor mens en dier
heil, behoud [o], uitkomst, redding [v], verlossing [v], uitredding [v], berging [v] {zn.}
heil
behoud [o]
uitkomst
redding [v]
verlossing [v]
uitredding [v]
berging [v] {zn.}
Ik ben tevreden met de uitkomst van mijn wiskundetoets.
Ik ben tevreden met de uitkomst van mijn wiskundetoets.
De enige zekerheid voor de verliezers is geen heil te verwachten
De enige zekerheid voor de verliezers is geen heil te verwachten
heil [o] (het ~), behoud, redding [v] (de ~), behoudenis {zn.}
heil [o] (het ~)
behoud
redding [v] (de ~)
behoudenis {zn.}
Behoud het goede
Behoud het goede
Van het kruis (van Christus) komt de redding
Van het kruis (van Christus) komt de redding
geluk [o] (het ~), heil [o] (het ~), zegen [m] (de ~) {zn.}
geluk [o] (het ~)
heil [o] (het ~)
zegen [m] (de ~) {zn.}
Iedereen wenst voor geluk
Iedereen wenst voor geluk
Wat is geluk?
Wat is geluk?


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Tot heil voor mens en dier

Tot heil voor mens en dier

Buiten de kerk geen heil (redding of zaligheid)

Buiten de kerk geen heil (redding of zaligheid)

De enige zekerheid voor de verliezers is geen heil te verwachten

De enige zekerheid voor de verliezers is geen heil te verwachten


Gerelateerd aan heil

zaligheid - gelukzaligheid - behoud - uitkomst - redding - verlossing - uitredding - berging - behoudenis - geluk - zegenhulpbetoon - gevoel