Vertaling van keil
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
keil, keg {zn.}
keil
keg {zn.}
keg {zn.}
wig, keg, keil, spie {zn.}
wig
keg
keil
spie {zn.}
keg
keil
spie {zn.}
keil, spatje {zn.}
keil
spatje {zn.}
spatje {zn.}
gooien, werpen, uitspelen, keilen {ww.}
gooien
werpen
uitspelen
keilen {ww.}
werpen
uitspelen
keilen {ww.}
ik gooi
jij gooit
hij/zij/het gooit
ik gooi
jij gooit
hij/zij/het gooit
» meer vervoegingen van gooien
De jongen vond het leuk om eieren naar mensen te gooien vanuit het raam van zijn flat.
De jongen vond het leuk om eieren naar mensen te gooien vanuit het raam van zijn flat.
afgeschoten, beschonken, kachel, keil, meloet, sikker, teut, dronken, zat, bezopen, onbekwaam {bn.}
afgeschoten
beschonken
kachel
keil
meloet
sikker
teut
dronken
zat
bezopen
onbekwaam {bn.}
beschonken
kachel
keil
meloet
sikker
teut
dronken
zat
bezopen
onbekwaam {bn.}
gooien, kwakken, knikkeren, kegelen, lazeren, zwiepen, mikken, donderen, kogelen, kukelen, kieperen, keilen, jenzen, werpen, plompen, flikkeren, bliksemen {ww.}
gooien
kwakken
knikkeren
kegelen
lazeren
zwiepen
mikken
donderen
kogelen
kukelen
kieperen
keilen
jenzen
werpen
plompen
flikkeren
bliksemen {ww.}
kwakken
knikkeren
kegelen
lazeren
zwiepen
mikken
donderen
kogelen
kukelen
kieperen
keilen
jenzen
werpen
plompen
flikkeren
bliksemen {ww.}
ik bliksem
jij bliksemt
hij/zij/het bliksemt
ik gooi
jij gooit
hij/zij/het gooit
» meer vervoegingen van gooien
keilen {ww.}
keilen {ww.}
ik keil
jij keilt
hij/zij/het keilt
ik keil
jij keilt
hij/zij/het keilt
» meer vervoegingen van keilen