Vertaling van afgeschoten

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
afgeschoten, beschonken, kachel, keil, meloet, sikker, teut, dronken, zat, bezopen, onbekwaam {bn.}
afgeschoten
beschonken
kachel
keil
meloet
sikker
teut
dronken
zat
bezopen
onbekwaam {bn.}
afschieten {ww.}
afschieten {ww.}

ik heb afgeschoten
jij hebt afgeschoten
hij/zij/het heeft afgeschoten

ik heb afgeschoten
jij hebt afgeschoten
hij/zij/het heeft afgeschoten
» meer vervoegingen van afschieten

afschieten, ontladen {ww.}
afschieten
ontladen {ww.}

ik heb afgeschoten
jij hebt afgeschoten
hij/zij/het heeft afgeschoten

ik heb afgeschoten
jij hebt afgeschoten
hij/zij/het heeft afgeschoten
» meer vervoegingen van afschieten

afschieten {ww.}
afschieten {ww.}

ik heb afgeschoten
jij hebt afgeschoten
hij/zij/het heeft afgeschoten

ik heb afgeschoten
jij hebt afgeschoten
hij/zij/het heeft afgeschoten
» meer vervoegingen van afschieten

afschieten, afvuren {ww.}
afschieten
afvuren {ww.}

ik heb afgeschoten
jij hebt afgeschoten
hij/zij/het heeft afgeschoten

ik heb afgeschoten
jij hebt afgeschoten
hij/zij/het heeft afgeschoten
» meer vervoegingen van afschieten

afschieten {ww.}
afschieten {ww.}

ik heb afgeschoten
jij hebt afgeschoten
hij/zij/het heeft afgeschoten

ik heb afgeschoten
jij hebt afgeschoten
hij/zij/het heeft afgeschoten
» meer vervoegingen van afschieten

schieten, afschieten, flitsen {ww.}
schieten
afschieten
flitsen {ww.}

ik heb afgeschoten
jij hebt afgeschoten
hij/zij/het heeft afgeschoten

ik heb geschoten
jij hebt geschoten
hij/zij/het heeft geschoten
» meer vervoegingen van schieten

Hij was bang dat je op hem ging schieten.
Hij was bang dat je op hem ging schieten.
Ze maken veel ruzie, maar voor het grootste deel schieten ze goed met elkaar op.
Ze maken veel ruzie, maar voor het grootste deel schieten ze goed met elkaar op.
afschieten {ww.}
afschieten {ww.}

ik heb afgeschoten
jij hebt afgeschoten
hij/zij/het heeft afgeschoten

ik heb afgeschoten
jij hebt afgeschoten
hij/zij/het heeft afgeschoten
» meer vervoegingen van afschieten

afschieten {ww.}
afschieten {ww.}

ik heb afgeschoten
jij hebt afgeschoten
hij/zij/het heeft afgeschoten

ik heb afgeschoten
jij hebt afgeschoten
hij/zij/het heeft afgeschoten
» meer vervoegingen van afschieten

afschieten, verwerpen {ww.}
afschieten
verwerpen {ww.}

ik heb afgeschoten
ik had afgeschoten
ik zal afgeschoten hebben

ik heb afgeschoten
ik had afgeschoten
ik zal afgeschoten hebben
» meer vervoegingen van afschieten