Vertaling van knevel

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
knevel [m] {zn.}
knevel [m] {zn.}
snor [v], knevel [m] {zn.}
snor [v]
knevel [m] {zn.}
Hij heeft zijn snor afgeschoren.
Hij heeft zijn snor afgeschoren.
afpersen, knevelen, afdwingen {ww.}
afpersen
knevelen
afdwingen {ww.}

ik dwing af
jij dwingt af
hij/zij/het dwingt af

ik pers af
jij perst af
hij/zij/het perst af
» meer vervoegingen van afpersen

snor [m] (de ~), snorrenbaard, snorbaard, snorrebaard, knevel [m] (de ~) {zn.}
snor [m] (de ~)
snorrenbaard
snorbaard
snorrebaard
knevel [m] (de ~) {zn.}
knevelen, binden, vastbinden {ww.}
knevelen
binden
vastbinden {ww.}

ik bind
jij bindt
hij/zij/het bindt

ik knevel
jij knevelt
hij/zij/het knevelt
» meer vervoegingen van knevelen

kortwieken, binden, knotten, knevelen, ketenen, breidelen, beknotten {ww.}
kortwieken
binden
knotten
knevelen
ketenen
breidelen
beknotten {ww.}

ik beknot
jij beknot
hij/zij/het beknot

ik kortwiek
jij kortwiekt
hij/zij/het kortwiekt
» meer vervoegingen van kortwieken