Vertaling van kuis
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
eerbaar, kuis, rein, zedig {bn.}
eerbaar
kuis
rein
zedig {bn.}
kuis
rein
zedig {bn.}
kuis, pudiek {bn.}
kuis
pudiek {bn.}
pudiek {bn.}
kuisen {ww.}
kuisen {ww.}
ik kuis
jij kuist
hij/zij/het kuist
ik kuis
jij kuist
hij/zij/het kuist
» meer vervoegingen van kuisen
Laten we onze kamer kuisen.
Laten we onze kamer kuisen.
Ik moet onmiddellijk de badkamer kuisen.
Ik moet onmiddellijk de badkamer kuisen.
doen, kuisen, schoonmaken, afnemen, reinigen {ww.}
doen
kuisen
schoonmaken
afnemen
reinigen {ww.}
kuisen
schoonmaken
afnemen
reinigen {ww.}
ik neem af
jij neemt af
hij/zij/het neemt af
ik doe
jij doet
hij/zij/het doet
» meer vervoegingen van doen
Ik heb mijn moeder de keuken helpen kuisen.
Ik heb mijn moeder de keuken helpen kuisen.
Ik ben klaar met mijn kamer te kuisen.
Ik ben klaar met mijn kamer te kuisen.
kuisen, castigeren {ww.}
kuisen
castigeren {ww.}
castigeren {ww.}
ik castigeer
jij castigeert
hij/zij/het castigeert
ik kuis
jij kuist
hij/zij/het kuist
» meer vervoegingen van kuisen
Het was mijn beurt om de kamer te kuisen.
Het was mijn beurt om de kamer te kuisen.