Vertaling van leer
geloofsleer
doctrine {zn.}
leder {zn.}
leerstelsel
dogmatiek {zn.}
theorie
leerstelsel
evangelie {zn.}
ladder
trapleer
trapladder {zn.}
leder {zn.}
voetbal {zn.}
instrueren
leren
scholen {ww.}
ik breng bij
jij brengt bij
hij/zij/het brengt bij
ik breng bij
jij brengt bij
hij/zij/het brengt bij
» meer vervoegingen van bijbrengen
onderwijzen {ww.}
ik leer
jij leert
hij/zij/het leert
ik leer
jij leert
hij/zij/het leert
» meer vervoegingen van leren
aanleren {ww.}
ik leer aan
jij leert aan
hij/zij/het leert aan
ik leer
jij leert
hij/zij/het leert
» meer vervoegingen van leren
leren
meenemen
opsteken {ww.}
ik leer
jij leert
hij/zij/het leert
ik ondervind
jij ondervindt
hij/zij/het ondervindt
» meer vervoegingen van ondervinden
leren {ww.}
ik breng bij
jij brengt bij
hij/zij/het brengt bij
ik breng bij
jij brengt bij
hij/zij/het brengt bij
» meer vervoegingen van bijbrengen
Voorbeelden in zinsverband
Leer niet.
Leer niet.
Ik leer Tsjechisch.
Ik leer Tsjechisch.
Leef en leer.
Leef en leer.
Ik leer Turks.
Ik leer Turks.
Ik leer Tsjechisch.
Ik leer Tsjechisch.
Ik leer Turks.
Ik leer Turks.
Ik leer Turks.
Ik leer Turks.
Wat leer je op school?
Wat leer je op school?
Wat leer je op school?
Wat leer je op school?
De schoenen zijn van leer.
De schoenen zijn van leer.
Ik leer graag oude talen.
Ik leer graag oude talen.
Mijn nieuwe schoenen zijn gemaakt van leer.
Mijn nieuwe schoenen zijn gemaakt van leer.
Leer mij hoe men dat doet.
Leer mij hoe men dat doet.
Ik ben gelukkig, want ik leer wat Nederlands.
Ik ben gelukkig, want ik leer wat Nederlands.
Vaak leer ik terwijl ik naar muziek luister.
Vaak leer ik terwijl ik naar muziek luister.