Vertaling van misten

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
nevelen, misten {ww.}
nevelen
misten {ww.}
missen, niet vinden {ww.}
missen
niet vinden {ww.}

ik miste
jij miste
hij/zij/het miste

ik miste
jij miste
hij/zij/het miste
» meer vervoegingen van missen

Je vrienden zullen je missen.
Je vrienden zullen je missen.
Ik zal u allemaal missen.
Ik zal u allemaal missen.
missen, ontberen, derven {ww.}
missen
ontberen
derven {ww.}

ik derfde
jij derfde
hij/zij/het derfde

ik miste
jij miste
hij/zij/het miste
» meer vervoegingen van missen

Je vrienden zullen je missen.
Je vrienden zullen je missen.
We missen je heel erg.
We missen je heel erg.
missen, mislopen, misgrijpen {ww.}
missen
mislopen
misgrijpen {ww.}

ik misgreep
jij misgreep
hij/zij/het misgreep

ik miste
jij miste
hij/zij/het miste
» meer vervoegingen van missen

We missen je heel erg.
We missen je heel erg.
missen, vermissen {ww.}
missen
vermissen {ww.}

ik miste
jij miste
hij/zij/het miste

ik miste
jij miste
hij/zij/het miste
» meer vervoegingen van missen

missen {ww.}
missen {ww.}

ik miste
jij miste
hij/zij/het miste

ik miste
jij miste
hij/zij/het miste
» meer vervoegingen van missen

missen {ww.}
missen {ww.}

ik miste
jij miste
hij/zij/het miste

ik miste
jij miste
hij/zij/het miste
» meer vervoegingen van missen

missen {ww.}
missen {ww.}

ik miste
jij miste
hij/zij/het miste

ik miste
jij miste
hij/zij/het miste
» meer vervoegingen van missen

missen {ww.}
missen {ww.}

ik miste
jij miste
hij/zij/het miste

ik miste
jij miste
hij/zij/het miste
» meer vervoegingen van missen

schorten, missen, ontbreken, mankeren {ww.}
schorten
missen
ontbreken
mankeren {ww.}

ik mankeerde
jij mankeerde
hij/zij/het mankeerde

ik schortte
jij schortte
hij/zij/het schortte
» meer vervoegingen van schorten

missen {ww.}
missen {ww.}

ik miste
jij miste
hij/zij/het miste

ik miste
jij miste
hij/zij/het miste
» meer vervoegingen van missen



Gerelateerd aan misten

nevelen - missen - niet vinden - ontberen - derven - mislopen - misgrijpen - vermissen - schorten - ontbreken - mankerenvoelen - doen - zijn - feilen - verplaatsen - zitten - passeren