Vertaling van verward

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
verward {bn.}
verward {bn.}
verward, in de war {bn.}
verward
in de war {bn.}
verward, chaotisch, confuus, gederangeerd, gedesoriënteerd, hoteldebotel, warrelig, warrig {bn.}
verward
chaotisch
confuus
gederangeerd
gedesoriënteerd
hoteldebotel
warrelig
warrig {bn.}
verwaaid, verward {bn.}
verwaaid
verward {bn.}
verwikkelen, verstrikken, verwarren, betrekken {ww.}
verwikkelen
verstrikken
verwarren
betrekken {ww.}

ik heb betrokken
ik had betrokken
ik zal betrokken hebben

ik heb verwikkeld
ik had verwikkeld
ik zal verwikkeld hebben
» meer vervoegingen van verwikkelen

verwisselen, van zijn stuk brengen, verwarren, dooreenhalen {ww.}
verwisselen
van zijn stuk brengen
verwarren
dooreenhalen {ww.}

ik heb verward
ik had verward
ik zal verward hebben

ik heb verwisseld
ik had verwisseld
ik zal verwisseld hebben
» meer vervoegingen van verwisselen

met elkaar verwarren, verwisselen, verwarren {ww.}
met elkaar verwarren
verwisselen
verwarren {ww.}

ik heb verward
ik had verward
ik zal verward hebben

ik heb verwisseld
ik had verwisseld
ik zal verwisseld hebben
» meer vervoegingen van verwisselen

wassen, mengen, verwarren, vermengen, temperen, mixen {ww.}
wassen
mengen
verwarren
vermengen
temperen
mixen {ww.}

ik heb gemengd
ik had gemengd
ik zal gemengd hebben

ik heb gewassen
ik had gewassen
ik zal gewassen hebben
» meer vervoegingen van wassen

Knippen, wassen en drogen alstublieft.
Knippen, wassen en drogen alstublieft.
Ik ga mijn auto wassen.
Ik ga mijn auto wassen.
wanordelijk, chaotisch, ongecoördineerd, warrig, ongeorganiseerd, onordelijk, ordeloos, rommelig, ongeregeld, verward {bn.}
wanordelijk
chaotisch
ongecoördineerd
warrig
ongeorganiseerd
onordelijk
ordeloos
rommelig
ongeregeld
verward {bn.}
onsamenhangend, incoherent, inconsistent, verward {bn.}
onsamenhangend
incoherent
inconsistent
verward {bn.}
ontwapenen, verwarren {ww.}
ontwapenen
verwarren {ww.}

ik heb ontwapend
ik had ontwapend
ik zal ontwapend hebben

ik heb ontwapend
ik had ontwapend
ik zal ontwapend hebben
» meer vervoegingen van ontwapenen

verwarren {ww.}
verwarren {ww.}

ik heb verward
ik had verward
ik zal verward hebben

ik heb verward
ik had verward
ik zal verward hebben
» meer vervoegingen van verwarren

verwisselen, verwarren, dooreenhaspelen {ww.}
verwisselen
verwarren
dooreenhaspelen {ww.}

ik heb dooreengehaspeld
ik had dooreengehaspeld
ik zal dooreengehaspeld hebben

ik heb verwisseld
ik had verwisseld
ik zal verwisseld hebben
» meer vervoegingen van verwisselen



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Ik voel me verward.

Ik voel me verward.

Ik ben verward.

Ik ben verward.

Ik denk dat je me met iemand anders verward.

Ik denk dat je me met iemand anders verward.