Vertaling van verwarren

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
verwarren {ww.}
verwarren {ww.}

ik verwar
jij verwart
hij/zij/het verwart

ik verwar
jij verwart
hij/zij/het verwart
» meer vervoegingen van verwarren

verwikkelen, verstrikken, verwarren, betrekken {ww.}
verwikkelen
verstrikken
verwarren
betrekken {ww.}

ik betrek
jij betrekt
hij/zij/het betrekt

ik verwikkel
jij verwikkelt
hij/zij/het verwikkelt
» meer vervoegingen van verwikkelen

verwisselen, van zijn stuk brengen, verwarren, dooreenhalen {ww.}
verwisselen
van zijn stuk brengen
verwarren
dooreenhalen {ww.}

ik verwar
jij verwart
hij/zij/het verwart

ik verwissel
jij verwisselt
hij/zij/het verwisselt
» meer vervoegingen van verwisselen

met elkaar verwarren, verwisselen, verwarren {ww.}
met elkaar verwarren
verwisselen
verwarren {ww.}

ik verwar
jij verwart
hij/zij/het verwart

ik verwissel
jij verwisselt
hij/zij/het verwisselt
» meer vervoegingen van verwisselen

wassen, mengen, verwarren, vermengen, temperen, mixen {ww.}
wassen
mengen
verwarren
vermengen
temperen
mixen {ww.}

ik meng
jij mengt
hij/zij/het mengt

ik was
jij wast
hij/zij/het wast
» meer vervoegingen van wassen

Knippen, wassen en drogen alstublieft.
Knippen, wassen en drogen alstublieft.
Ik ga mijn auto wassen.
Ik ga mijn auto wassen.
ontwapenen, verwarren {ww.}
ontwapenen
verwarren {ww.}

ik ontwapen
jij ontwapent
hij/zij/het ontwapent

ik ontwapen
jij ontwapent
hij/zij/het ontwapent
» meer vervoegingen van ontwapenen

verwisselen, verwarren, dooreenhaspelen {ww.}
verwisselen
verwarren
dooreenhaspelen {ww.}

ik haspel dooreen
jij haspelt dooreen
hij/zij/het haspelt dooreen

ik verwissel
jij verwisselt
hij/zij/het verwisselt
» meer vervoegingen van verwisselen