Vertaling van was
opkomst
opstijging
opgang
stijging {zn.}
wassing
spoeling {zn.}
wasgoed {zn.}
zijn {ww.}
ik was
jij was
hij/zij/het was
ik was
jij was
hij/zij/het was
» meer vervoegingen van zijn
rijzen {ww.}
ik rijs
jij rijst
hij/zij/het rijst
ik was
jij wast
hij/zij/het wast
» meer vervoegingen van wassen
uitwassen
de was doen {ww.}
ik was uit
jij wast uit
hij/zij/het wast uit
ik was
jij wast
hij/zij/het wast
» meer vervoegingen van wassen
logen
de was doen {ww.}
ik loog
jij loogt
hij/zij/het loogt
ik was
jij wast
hij/zij/het wast
» meer vervoegingen van wassen
ik was
jij wast
hij/zij/het wast
ik was
jij wast
hij/zij/het wast
» meer vervoegingen van wassen
opkomen
opstaan
rijzen
stijgen
verrijzen
wassen {ww.}
ik ga op
jij gaat op
hij/zij/het gaat op
ik ga op
jij gaat op
hij/zij/het gaat op
» meer vervoegingen van opgaan
mixen
temperen
vermengen
verwarren
wassen {ww.}
ik meng
jij mengt
hij/zij/het mengt
ik meng
jij mengt
hij/zij/het mengt
» meer vervoegingen van mengen
groeien
toenemen
wassen
aanwassen {ww.}
hij/zij/het wast aan
zij wassen aan
ik gedij
hij/zij/het gedijt
zij gedijen
ik gedij
» meer vervoegingen van gedijen
Voorbeelden in zinsverband
Ze was mooi toen ze jong was.
Ze was mooi toen ze jong was.
Hoewel hij arm was, was hij gelukkig.
Hoewel hij arm was, was hij gelukkig.
Haar toespraak was uitmuntend.
Haar toespraak was uitmuntend.
Dit boek was gemakkelijk.
Dit boek was gemakkelijk.
De kamer was warm.
De kamer was warm.
Het was heet gisteren.
Het was heet gisteren.
Oh, ik was ziek.
Oh, ik was ziek.
Ik was lerares.
Ik was lerares.
Alle melk was gemorst.
Alle melk was gemorst.
Waar was de politie?
Waar was de politie?
Hij was zojuist gearriveerd.
Hij was zojuist gearriveerd.
Was je handen.
Was je handen.
De pijn was ondraaglijk.
De pijn was ondraaglijk.
Ik was erg moe.
Ik was erg moe.
Gisteren was het bewolkt.
Gisteren was het bewolkt.