Vertaling van was

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
was, opkomst, opstijging [v], opgang, stijging [v] {zn.}
was
opkomst
opstijging [v]
opgang
stijging [v] {zn.}
Ze was mooi toen ze jong was.
Ze was mooi toen ze jong was.
Hoewel hij arm was, was hij gelukkig.
Hoewel hij arm was, was hij gelukkig.
was, wassing [v], spoeling [v] {zn.}
was
wassing [v]
spoeling [v] {zn.}
Mijn opa was boer.
Mijn opa was boer.
Gisteren was het zondag.
Gisteren was het zondag.
was {zn.}
was {zn.}
Haar toespraak was uitmuntend.
Haar toespraak was uitmuntend.
Dit boek was gemakkelijk.
Dit boek was gemakkelijk.
was {zn.}
was {zn.}
De kamer was warm.
De kamer was warm.
was [m] (de ~), wasgoed [o] (het ~) {zn.}
was [m] (de ~)
wasgoed [o] (het ~) {zn.}
Die man heeft m'n wasgoed gestolen.
Die man heeft m'n wasgoed gestolen.
wezen, zijn {ww.}
wezen
zijn {ww.}

ik was
jij was
hij/zij/het was

ik was
jij was
hij/zij/het was
» meer vervoegingen van zijn

wassen, rijzen {ww.}
wassen
rijzen {ww.}

ik rijs
jij rijst
hij/zij/het rijst

ik was
jij wast
hij/zij/het wast
» meer vervoegingen van wassen

Knippen, wassen en drogen alstublieft.
Knippen, wassen en drogen alstublieft.
Ik ga mijn auto wassen.
Ik ga mijn auto wassen.
wassen, uitwassen, de was doen {ww.}
wassen
uitwassen
de was doen {ww.}

ik was uit
jij wast uit
hij/zij/het wast uit

ik was
jij wast
hij/zij/het wast
» meer vervoegingen van wassen

Knippen, wassen en drogen alstublieft.
Knippen, wassen en drogen alstublieft.
Kleren wassen is mijn taak.
Kleren wassen is mijn taak.
wassen, logen, de was doen {ww.}
wassen
logen
de was doen {ww.}

ik loog
jij loogt
hij/zij/het loogt

ik was
jij wast
hij/zij/het wast
» meer vervoegingen van wassen

Je moet je handen wassen.
Je moet je handen wassen.
wassen {ww.}
wassen {ww.}

ik was
jij wast
hij/zij/het wast

ik was
jij wast
hij/zij/het wast
» meer vervoegingen van wassen

opgaan, opkomen, opstaan, rijzen, stijgen, verrijzen, wassen {ww.}
opgaan
opkomen
opstaan
rijzen
stijgen
verrijzen
wassen {ww.}

ik ga op
jij gaat op
hij/zij/het gaat op

ik ga op
jij gaat op
hij/zij/het gaat op
» meer vervoegingen van opgaan

mengen, mixen, temperen, vermengen, verwarren, wassen {ww.}
mengen
mixen
temperen
vermengen
verwarren
wassen {ww.}

ik meng
jij mengt
hij/zij/het mengt

ik meng
jij mengt
hij/zij/het mengt
» meer vervoegingen van mengen

gedijen, groeien, toenemen, wassen, aanwassen {ww.}
gedijen
groeien
toenemen
wassen
aanwassen {ww.}

hij/zij/het wast aan
zij wassen aan
ik gedij

hij/zij/het gedijt
zij gedijen
ik gedij
» meer vervoegingen van gedijen



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Ze was mooi toen ze jong was.

Ze was mooi toen ze jong was.

Hoewel hij arm was, was hij gelukkig.

Hoewel hij arm was, was hij gelukkig.

Haar toespraak was uitmuntend.

Haar toespraak was uitmuntend.

Dit boek was gemakkelijk.

Dit boek was gemakkelijk.

De kamer was warm.

De kamer was warm.

Het was heet gisteren.

Het was heet gisteren.

Oh, ik was ziek.

Oh, ik was ziek.

Ik was lerares.

Ik was lerares.

Alle melk was gemorst.

Alle melk was gemorst.

Waar was de politie?

Waar was de politie?

Hij was zojuist gearriveerd.

Hij was zojuist gearriveerd.

Was je handen.

Was je handen.

De pijn was ondraaglijk.

De pijn was ondraaglijk.

Ik was erg moe.

Ik was erg moe.

Gisteren was het bewolkt.

Gisteren was het bewolkt.


Gerelateerd aan was

opkomst - opstijging - opgang - stijging - wassing - spoeling - wasgoed - wezen - zijn - wassen - rijzen - uitwassen - de was doen - logen - opgaanweefsel