Vertaling van wortelen
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
stoelen, worteltrekken, wortelen {ww.}
stoelen
worteltrekken
wortelen {ww.}
worteltrekken
wortelen {ww.}
ik stoel
jij stoelt
hij/zij/het stoelt
ik stoel
jij stoelt
hij/zij/het stoelt
» meer vervoegingen van stoelen
Dit zijn niet uw stoelen.
Dit zijn niet uw stoelen.
Zijn er genoeg stoelen voor iedereen?
Zijn er genoeg stoelen voor iedereen?
wortelen, aanslaan, aangaan {ww.}
wortelen
aanslaan
aangaan {ww.}
aanslaan
aangaan {ww.}
ik ga aan
jij gaat aan
hij/zij/het gaat aan
ik sla aan
jij slaat aan
hij/zij/het slaat aan
» meer vervoegingen van aanslaan
wortel (mv. wortelen) , peen {zn.}
wortel (mv. wortelen)
peen {zn.}
peen {zn.}
Het konijn eet de wortel.
Het konijn eet de wortel.
Geld is de wortel van alle kwaad.
Geld is de wortel van alle kwaad.
wortel (mv. wortelen) , stam , radix {zn.}
wortel (mv. wortelen)
stam
radix {zn.}
stam
radix {zn.}
Wat is de wortel van 100?
Wat is de wortel van 100?
De haas stal een wortel uit de tuin.
De haas stal een wortel uit de tuin.
teruggaan, wortelen {ww.}
teruggaan
wortelen {ww.}
wortelen {ww.}
ik ga terug
jij gaat terug
hij/zij/het gaat terug
ik ga terug
jij gaat terug
hij/zij/het gaat terug
» meer vervoegingen van teruggaan
Laten we teruggaan.
Laten we teruggaan.
Laten we teruggaan.
Laten we teruggaan.
wortel {zn.}
wortel {zn.}
Voeg de geraspte wortel toe aan de vulling.
Voeg de geraspte wortel toe aan de vulling.
wortel , worteltje {zn.}
wortel
worteltje {zn.}
worteltje {zn.}
begin , wortel (mv. wortelen) , oorsprong , origine , kiem , oerbron {zn.}
begin
wortel (mv. wortelen)
oorsprong
origine
kiem
oerbron {zn.}
wortel (mv. wortelen)
oorsprong
origine
kiem
oerbron {zn.}
worteltje, wortel (mv. wortelen) {zn.}
worteltje
wortel (mv. wortelen) {zn.}
wortel (mv. wortelen) {zn.}
radix, wortelgetal, wortel (mv. wortelen) {zn.}
radix
wortelgetal
wortel (mv. wortelen) {zn.}
wortelgetal
wortel (mv. wortelen) {zn.}