Vertaling van ziek
krank {bn.}
ziek {bn.}
tobben
sukkelen {ww.}
ik sukkel
jij sukkelt
hij/zij/het sukkelt
ik ziek
jij ziekt
hij/zij/het ziekt
» meer vervoegingen van zieken
ziek zijn {ww.}
ik ziek
jij ziekt
hij/zij/het ziekt
ik ziek
jij ziekt
hij/zij/het ziekt
» meer vervoegingen van zieken
amoreel
onethisch
onzedelijk
verdorven
verziekt
voos
onzuiver
ziek {bn.}
zieken
piepen
mieren
malen
zeveren
emmeren
zeiken
reutelen
mekkeren
mekken
griepen
zemelknopen
zemelen
zaniken
neuzelen
lazeren
mauwen
zeuren
meieren {ww.}
ik emmer
jij emmert
hij/zij/het emmert
ik zaag
jij zaagt
hij/zij/het zaagt
» meer vervoegingen van zagen
Voorbeelden in zinsverband
Hij is niet ziek.
Hij is niet ziek.
Je bent ernstig ziek.
Je bent ernstig ziek.
Ik ben ziek.
Ik ben ziek.
Misschien was hij ziek.
Misschien was hij ziek.
Hij is ziek.
Hij is ziek.
Voel je je ziek?
Voel je je ziek?
Oh, ik was ziek.
Oh, ik was ziek.
Ik ben ziek.
Ik ben ziek.
Hij was misschien ziek.
Hij was misschien ziek.
Ik ben ziek.
Ik ben ziek.
Gisteren was ik ziek.
Gisteren was ik ziek.
Ze werd heel ziek.
Ze werd heel ziek.
Ik ben ziek.
Ik ben ziek.
Hij kan niet ziek zijn.
Hij kan niet ziek zijn.
Ik hoor dat hij ziek is.
Ik hoor dat hij ziek is.