Engels

Nederlands

Present

  • he/she/it takes
  • they take

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • hij/zij/het kost
  • zij kosten

Simple past

  • he/she/it took
  • they took

Onvoltooid verleden tijd

  • hij/zij/het kostte
  • zij kostten

Present perfect

  • he/she/it has taken
  • they have taken

Voltooid tegenwoordige tijd

  • hij/zij/het heeft gekost
  • zij hebben gekost

Past perfect

  • he/she/it had taken
  • they had taken

Voltooid verleden tijd

  • hij/zij/het had gekost
  • zij hadden gekost

Future

  • he/she/it will take
  • they will take

Toekomende tijd I

  • hij/zij/het zal kosten
  • zij zult kosten

Future perfect

  • he/she/it will have taken
  • they will have taken

Toekomende tijd II

  • hij/zij/het zal gekost hebben
  • zij zult gekost hebben

Conditional present

  • he/she/it would take
  • they would take

Conditionalis I

  • hij/zij/het zal kosten
  • zij zullen kosten

Conditional perfect

  • he/she/it would have taken
  • they would have taken

Conditionalis II

  • hij/zij/het zal hebben gekost
  • zij zullen hebben gekost

Verwijzingen

Bekijk 44 definitie(s) van take