Betekenis van:
aan het ... zijn
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- We zijn aan het barbecueën.
- We zijn aan het barbecueën.
- We zijn het verslag aan het schrijven.
- Wat zijn jullie aan het koken?
- Ze zijn appels aan het eten.
- Gelukkig zijn ze aan het gevaar ontkomen.
- Hij vertelde het verhaal aan zijn broer.
- Bepaalde diersoorten zijn snel aan het verdwijnen.
- Waarom zijn ze aan het huilen?
- Enkele kinderen zijn op het gras aan het spelen.
- Zijn moeder is een brief aan het schrijven.
- Hij is in zijn kamer aan het spelen.
- Je zult snel gewend zijn aan het stadsleven.
- Ze zijn vast op je aan het wachten.
- Vertel niemand wat we aan het doen zijn.