Betekenis van:
aan het ... zijn

Werkwoord

aan het ... zijn
aan het ... zijn
aan het ... zijn
aan het ... zijn
aan het ... zijn
aan het ... zijn
aan het ... zijn
aan het ... zijn
aan het ... zijn
aan het ... zijn
aan het ... zijn

Voorbeeldzinnen

  1. We zijn aan het barbecueën.
  2. We zijn aan het barbecueën.
  3. We zijn het verslag aan het schrijven.
  4. Wat zijn jullie aan het koken?
  5. Ze zijn appels aan het eten.
  6. Gelukkig zijn ze aan het gevaar ontkomen.
  7. Hij vertelde het verhaal aan zijn broer.
  8. Bepaalde diersoorten zijn snel aan het verdwijnen.
  9. Waarom zijn ze aan het huilen?
  10. Enkele kinderen zijn op het gras aan het spelen.
  11. Zijn moeder is een brief aan het schrijven.
  12. Hij is in zijn kamer aan het spelen.
  13. Je zult snel gewend zijn aan het stadsleven.
  14. Ze zijn vast op je aan het wachten.
  15. Vertel niemand wat we aan het doen zijn.