Betekenis van:
zaken

zaken
Zelfstandig naamwoord
  • commerciële activiteiten.
"Tja, zaken zijn nu eenmaal zaken!"
zaak (de ~ | meervoud zaken)
Zelfstandig naamwoord
  • gerechtelijk proces; proces voor een rechtbank; geschil/pleidooi; rechtszaak; rechtszaak; rechtsgeding; geschil over rechten
"rechter in eigen zaken zijn"
"advocaat van kwade zaken"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

zaak (de ~ | meervoud zaken)
Zelfstandig naamwoord
  • onderwerp v.e. gesprek; onderwerp van gesprek; onderwerp van gesprek
"de zaak laten rusten"
"ter zake doen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

zaak (de ~ | meervoud zaken)
Zelfstandig naamwoord
  • onderdeel v.e. vermogen
"verbruikbare zaken"
"toekomstige zaken"

Hyperoniemen

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Zaken zijn zaken.
  2. Zaken zijn zaken.
  3. Dat zijn jouw zaken niet.
  4. Gedane zaken nemen geen keer.
  5. Ik meng niet graag zaken met plezier.
  6. Bemoei je niet met mijn zaken.
  7. Bemoei je met je eigen zaken!
  8. Bemoei je met je eigen zaken.
  9. Gelijke zaken worden opgelost in gelijke zaken
  10. Ik denk dat we samen zaken kunnen doen.
  11. Daar waren niet weinig interessante zaken te zien.
  12. Er zijn zaken die je beter niet weet.
  13. Is de minister van buitenlandse zaken al aangekomen?
  14. Ik ben hier voor zaken / op vakantie
  15. Terwijl ik over dat soort zaken nadacht, keek ik weer naar "Duck Soup"