Betekenis van:
high

high
Bijvoeglijk naamwoord
  • reikend tot of zich bevindend op een punt dat naar verhouding ver boven een ander punt ligt
  • greater than normal in degree or intensity or amount
"a high temperature"
"a high price"
high
Bijvoeglijk naamwoord
  • met goed humeur; in vrolijke stemming
  • happy and excited and energetic

Synoniemen

Hyperoniemen

high
Bijvoeglijk naamwoord
  • (van vruchten en gewassen) zijn volle wasdom bereikt hebbend
  • slightly and pleasantly intoxicated from alcohol or a drug (especially marijuana)

Synoniemen

Hyperoniemen

high
Bijvoeglijk naamwoord
  • hoog liggend
  • slightly and pleasantly intoxicated from alcohol or a drug (especially marijuana)

Synoniemen

Hyperoniemen

high
Bijvoeglijk naamwoord
  • ver in rang; voornaam
  • slightly and pleasantly intoxicated from alcohol or a drug (especially marijuana)

Synoniemen

high
Bijvoeglijk naamwoord
  • op luidruchtige manier vrolijk
  • happy and excited and energetic

Synoniemen

high
Bijvoeglijk naamwoord
  • (van geluid) met een groot aantal trillingen per tijdseenheid
  • used of sounds and voices; high in pitch or frequency

Synoniemen

high
Bijvoeglijk naamwoord
    • (literal meaning) being at or having a relatively great or specific elevation or upward extension (sometimes used in combinations like `knee-high')
    "a high mountain"
    "high ceilings"
    high
    Bijvoeglijk naamwoord
      • standing above others in quality or position
      "people in high places"
      "the high priest"

      Synoniemen

      high
      Bijvoeglijk naamwoord
        • (used of the smell of meat) smelling spoiled or tainted

        Synoniemen

        high
        Zelfstandig naamwoord
        • middelbaar onderwijs in Nederland
        • a public secondary school usually including grades 9 through 12
        "he goes to the neighborhood highschool"

        Synoniemen

        Hyperoniemen

        high
        Zelfstandig naamwoord
        • lichte bedwelming
        • a state of altered consciousness induced by alcohol or narcotics
        "they took drugs to get a high on"

        Hyperoniemen

        high
        Zelfstandig naamwoord
        • feestroes
        • a state of sustained elation
        "I'm on a permanent high these days"

        Hyperoniemen

        high
        Zelfstandig naamwoord
        • hoogterecord
        • a lofty level or position or degree
        "summer temperatures reached an all-time high"

        Hyperoniemen

        high
        Zelfstandig naamwoord
        • hogedrukgebied, anticycloon
        • an air mass of higher than normal pressure
        "the east coast benefits from a Bermuda high"

        Hyperoniemen

        high
        Zelfstandig naamwoord
          • a high place
          "they stood on high and observed the countryside"

          Synoniemen

          Hyperoniemen

          high
          Zelfstandig naamwoord
            • a forward gear with a gear ratio that gives the greatest vehicle velocity for a given engine speed

            Synoniemen

            Hyperoniemen

            Hyponiemen

            high
            Bijwoord
              • far up toward the source
              "he lives high up the river"
              high
              Bijwoord
                • in or to a high position, amount, or degree
                "prices have gone up far too high"
                high
                Bijwoord
                  • in a rich manner
                  "he lives high"

                  Synoniemen

                  high
                  Bijwoord
                    • at a great altitude
                    "he climbed high on the ladder"

                    Synoniemen