Betekenis van:
shame

shame
Zelfstandig naamwoord
  • schande; smet op naam of eer; schandvlek
  • a state of dishonor
"one mistake brought shame to all his family"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

shame
Zelfstandig naamwoord
  • slecht figuur dat iemand slaat
  • a state of dishonor
"one mistake brought shame to all his family"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

shame
Zelfstandig naamwoord
  • iets schandelijks
  • a state of dishonor
"one mistake brought shame to all his family"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

shame
Zelfstandig naamwoord
  • onbehaaglijk gevoel; schaamte; gevoel van schaamte
  • a painful emotion resulting from an awareness of inadequacy or guilt

Hyperoniemen

Hyponiemen

shame
Zelfstandig naamwoord
  • schandaal, schande
  • a state of dishonor
"one mistake brought shame to all his family"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

shame
Zelfstandig naamwoord
    • an unfortunate development

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    to shame
    Werkwoord
      • compel through a sense of shame
      "She shamed him into making amends"

      Hyperoniemen

      to shame
      Werkwoord
        • cause to be ashamed

        Hyperoniemen

        Hyponiemen

        to shame
        Werkwoord
          • surpass or beat by a wide margin

          Hyperoniemen

          to shame
          Werkwoord
          • bevlekken, bezoedelen, onteren, schenden
          • bring shame or dishonor upon

          Synoniemen

          Hyperoniemen

          Hyponiemen