Betekenis van:
hol

hol (het ~ | meervoud holen)
Zelfstandig naamwoord
  • holle ruimte in de aarde
"De speleoloog ontdekte een nog groot hol aan het einde van de grot."

Hyperoniemen

Hyponiemen

hol (het ~ | meervoud holen)
Zelfstandig naamwoord
  • uitholling
"De bevolking had in de heuvels diverse holen uitgehouwen."

Hyperoniemen

Hyponiemen

hol (het ~ | meervoud holen)
Zelfstandig naamwoord
  • ruimte voor te vervoeren goederen; bergruimte in een schip
"De matroos rolde de vaten naar het hol."

Synoniemen

Hyperoniemen

hol (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • achterwerk; het achterste, de billen, van mens of dier; achterwerk; het achterste, de billen, van mens of dier; bips; billen; achterste; achterwerk; billen; achterste; billen; achterwerk
"een schop onder je hol nodig hebben"
"in iemands hol kruipen"

Synoniemen

Hyperoniemen

hol
Zelfstandig naamwoord
  • grot, spelonk.
hol
Zelfstandig naamwoord
  • ondergrondse woning of schuilplaats van een dier.
hol
Bijvoeglijk naamwoord
  • met een inwaarts gebogen oppervlak of verloop
"een holle lens/spiegel"
"holle ogen"
hol
Bijvoeglijk naamwoord
  • niet massief
"holle vaten klinken/bommen het hardst"
"de holle aders"

Hyperoniemen

hol
Bijvoeglijk naamwoord
  • (van geluiden) klinkend alsof ze uit een lege ruimte komen
"hol klinken"

Hyperoniemen

hol
Bijvoeglijk naamwoord
  • zonder inhoud, zonder betekenis, leeg.
hol
Bijvoeglijk naamwoord
  • wat een lege ruimte of voorwerp in zich heeft.
hol
Bijvoeglijk naamwoord
  • alsof het uit een lege ruimte komt, niet vol van klank.
hol
Bijvoeglijk naamwoord
  • naar binnen of naar beneden gebogen.
hol
Bijvoeglijk naamwoord
  • met hoge golfslag.
hol
Bijwoord
  • verdiept, concaaf.

Werkwoord