Betekenis van:
gat

gat
Zelfstandig naamwoord
  • opening
"Een gat in de muur boren."
gat
Zelfstandig naamwoord
  • ''overdrachtelijk'': een tekort of ontbrekend deel
"Een gat in de begroting."
gat
Zelfstandig naamwoord
  • ''(meervoud)'' gaten: ogen
"In de gaten houden."
gat
Zelfstandig naamwoord
  • ''(verkleinwoord)'' gaatje: een geval van tandwolf
"De tandarts zei dat ik geen gaatjes had."
gat
Zelfstandig naamwoord
  • (''dim'' gatje) achterste
"Op z'n gatje zitten."
gat (het ~ | meervoud gaten)
Zelfstandig naamwoord
  • opening in een vaste stof of in een voorwerp
"gaatjes in iets prikken/maken"
"niet voor één gat te vangen zijn"

Synoniemen

Hyperoniemen

gat (het ~ | meervoud gatten)
Zelfstandig naamwoord
  • achterwerk; het achterste, de billen, van mens of dier; achterwerk; het achterste, de billen, van mens of dier; bips; billen; achterste; achterwerk; billen; achterste; billen; achterwerk
"in zijn blote gat (rondlopen)"
"wie zijn gat verbrandt, moet op de blaren zitten"

Synoniemen

Hyperoniemen

gat (het ~ | meervoud gaten)
Zelfstandig naamwoord
  • klein dorp; groep huizen; gehucht of buurt; onaanzienlijk dorp; gehucht
"Halle-Booienhove is een echt gat"
"in een gat wonen"

Synoniemen

Hyperoniemen

gat
Zelfstandig naamwoord
  • ongewenste opening of beschadeging

Hyperoniemen

Hyponiemen