Betekenis van:
partner

partner (de ~ | meervoud partners)
Zelfstandig naamwoord
  • deelgenoot
"de partners in [het akkoord/het project/het overleg]"
"de sociale partners"

Hyperoniemen

partner
Zelfstandig naamwoord
  • iemand met wie men gehuwd of niet een relatie heeft
"Komt uw partner ook mee?"
partner
Zelfstandig naamwoord
  • iemand met wie men gezamenlijk iets onderneemt of handel drijft
"Zijn partners waren niet bereid nog meer geld in de zaak te steken."
partner (de ~ | meervoud partners)
Zelfstandig naamwoord
  • elk van beide personen in een relatie
"een vaste partner"
"zijn partner bij [het tennissen/het bridgen]"

Synoniemen

Hyperoniemen

partner (de ~ | meervoud partners)
Zelfstandig naamwoord
  • handelsgenoot, medefirmant

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen